De opmars van het swingdiploma; Jazz in Nederland

Decennia lang werd de jazz in Nederland geassocieerd met met de lucht van kaarsvet, verschraald bier en zware shag. Die tijd is voorbij. Jazz staat garant voor gezelligheid en sfeer. Nieuwe platen met Nederlandse jazz vliegen van de pers, zo'n honderd per jaar. Wie zijn toch de leveranciers van al die gezelligheid?

Art in Jazz met cd's van: het Michiel Borstlap Sextet, Marc van Roon Trio, Yuri Honing Trio, Ton van de Geijn Quintet en het Eric Vloeimans Quartet (Art in Jazz 991 1012). Distributie: Virgin. De NOS-serie "De Geschiedenis van de Jazz in Nederland' (Ned.3, 20.33-21.26 uur) wordt vervolgd op dinsdag 16 en 23 maart).

"Nieuw Thelonious trekt 25 procent meer mensen' meldde het Rotterdams Dagblad onlangs. De met sluiting bedreigde jazzclub verhuisde van een bunkerachtig onderkomen aan de Lijnbaan naar de Witte de Withstraat en sindsdien gaat het goed. Ligt het aan de grotere veiligheid en de betere parkeergelegenheid zoals het bericht veronderstelt? Of zorgen de in het programmablad aanbevolen "Watertorenpâté met Chutney' of de "Zeewolffillet met spek en waterkerssaus' voor de extra klandizie? Niemand weet het, maar het in januari opgediende kwintet van trompettist Nat Adderley trok bijna driehonderd bezoekers.

In Amsterdam lusten ze ook een "jazzy' hap, dat is althans de verwachting van Cees Vermeulen, ex-eigenaar van jazzcafé Alto die binnenkort zijn nieuwe club "Parker's' gaat openen. In het oude Madame Tussaud-complex bij Spui en Kalverstraat, het hartje van de stad dus. In de "Brass' erie - woordspeling - kan de bezoeker "gerechten in jazzsfeer' eten, in het "Bass' ment wordt zeven dagen per week live-muziek geprogrammeerd. Indachtig de naamgever van de club, saxofonist Charlie Parker die ook het logo van het briefpapier siert, zal jazz de boventoon vieren, zo belooft Robert Jan Schinkel, publiciteitschef van de nieuwe club die vijfhonderd personen herbergen kan.

De jazz in Nederland, decennia lang geassocieerd met de lucht van kaarsvet, verschaald bier en zware shag, gaat op chic. Het zat erin, een vingerhoed cognac kost in het BIMhuis sinds de verbouwing ook al bijna een tientje. De jazz en het geld, twee begrippen waar vroeger een zee tussen lag, zijn elkaar steeds minder vijandig. De muziek raakt "in', is de verklaring van Wil Steyling, directeur van Euro Jazz Radio, het kabelstation dat 24 uur per dag jazz brengt. Voor 85 gulden kan men er lid van worden en voor 500 zelfs "benefactor'.

De greep van de horeca en andere ondernemers werd ingeluid door een volkse "doorbraak' die jaren heeft geduurd. Vijf jaar geleden vonden in lente en zomer niet minder dan zestig jazzfestivals plaats, sommige klein, andere gigantisch. Zoals het North Sea Festival dat "1000 musicians on 12 stages' te bieden had en het Breda Oude Stijl Jazz Festival dat een half miljoen bezoekers wist te tellen. Het concurrerende Jazz in Duketown (Den Bosch) stak daar met 300.000 maar schriel bij af.

De Paul Acket-formule voor de jazz, veel verschillends op een klein grondgebied, bleek zo aantrekkelijk dat ook sponsors er geld in wilden steken. En zo wordt er in Den Haag, Maastricht en Amsterdam een rokertje uitgedeeld terwijl in Breda, Den Bosch en Rotterdam het bier prominent op het programma staat. Jazz is niet langer synoniem met rotzooi maar staat garant voor gezelligheid en sfeer. Er zijn jazz-picknicks, -gala's, -kroegtochten, en wat al niet, van kindermatinee tot bejaardensoos. Nieuwe platen met Nederlandse jazz vliegen van de pers, naar schatting zo'n honderd per jaar. En op Nederland 3 draait nu de documentaire serie De Geschiedenis van de Jazz in Nederland, gemaakt met steun van het Stimuleringsfonds.

Dubbele breuk

In deel 4 van deze serie (uitzending 16 maart) wordt het magische jaartal 1968 bereikt. In dat jaar verscheen de eerste duo-lp van Willem Breuker en Han Bennink. De plaat uitgebracht op hun eigen label ICP markeerde een dubbele breuk: met de Amerikaanse jazz en met de amusementsindustrie. De Nederlandse jazz, tot lang na de oorlog een volgzaam kind, gedroeg zich als een luidruchtige puber die plotsklaps alles zelf wilde doen en zelfs zijn naam veranderde in "actuele geïmproviseerde muziek'.

Het New Acoustic Swing Duo noemden Bennink en Breuker zich. Pure provocatie natuurlijk want iedereen wist dat Breuker niet swingde. Hij was er zelfs trots op. Hij kwam immers niet uit Harlem maar uit Amsterdam-Oost en had met de jazz in Amerika niets te maken. In het toenmalige vakblad Jazzwereld werd de plaat afgekraakt. "Doordouwerige botheid' constateerde de recensent en zo ging het twee kolommen door. Merkwaardig was daarom zijn slotconclusie: "U moet I.C.P. 001 in elk geval kopen, u hangt de hoes (een authentieke Bennink, doet in de kunsthandel tussen de 100 en 200 gulden) aan de muur en u brengt de schijf naar Concerto'.

Waarom de recensent zo dubbelzinnig reageerde, was toen al geen mysterie; saxofonist en jazz-goeroe John Coltrane was net dood en het ging slecht met de jazz, ook in Nederland. Concerten waren dungezaaid en nieuwe platen met "Nederjazz' waren uiterst zeldzaam. Zozeer zelfs dat een zevental Haagse lezers de recensent in een ingezonden brief voorstelden de plaat terug te kopen. Koop Nederlandse waar, dan helpen wij elkaar, het leek 1945 wel. Een nieuw verschijnsel deed zijn intrede: musici die na concerten hun platen liepen uit te venten. Wilden ze vlug naar huis, dan kreeg je al gauw een piek korting en als ze aangeschoten waren soms wel een rijksdaalder. Eigen muziek, uitgebracht in eigen beheer, eigenhandig uitgereikt aan de liefhebber, het was armoedig maar ook romantisch.

Dat jazzmusici armoedzaaiers waren, werd bevestigd door een rapport van de Boekmanstichting waaruit bleek dat in 1970 zegge en schrijve drie Nederlandse musici konden leven van het spelen van "jazz'. Slechts dertien procent van hen die zich jazzmusicus voelden, ontleende er meer dan driekwart van zijn inkomen aan. Subsidie voor de jazz was er nog vrijwel niet en daar moest natuurlijk verandering in komen. Wat daarvoor nodig was, beseften de modernisten van ICP (Instant Composers Pool), en zeker hun meest prominente fan: socioloog en Volkskrant-journalist Rudy Koopmans. Organiseren en infiltreren; een mars door de instituties zogezegd.

De eerste stap daartoe werd gezet op 3 november 1970 door wat heroïsch "De Overval' wordt genoemd; de overname van de Stichting Jazz In Nederland door een handvol musici. De vernieuwde SJIN ging aan de slag en voorjaar 1971 werd er bij het toenmalige ministerie van CRM een "Plan voor de Jazz' ingediend. In datzelfde jaar werd de Beroepsvereniging van Improviserende Musici opgericht. De vereniging (BIM) kreeg zijn eigen huis, een bomvrij "onderstuk' aan de Amsterdamse Oude Schans dat spottend "de fietsenstalling' werd genoemd. Het werd door leden van het eerste uur eigenhandig opgeknapt en in oktober 1974 begonnen de concerten, legendarisch van allure en laag van prijs, zowel voor musici als voor publiek. Een knaak voor een concert van Charles Mingus met nog een handtekening van de maestro toe, het is vandaag bijna onvoorstelbaar.

Ook op platengebied was het zelfbeheer niet zonder succes. ICP bracht al snel zijn tiende plaat uit en dat bracht anderen op een idee. Willem Breuker brak met ICP en stichtte zijn eigen BVHAAST, bassist Maarten Altena en elektrotechneut Michel Waisvisz kwamen met de firma Claxon, trompettist Nedly Elstak met Coreco en Loek Dikker met Waterland. Voor het eerst gingen er Nederlandse "jazz'-platen de grenzen over en daarna volgden de musici zelf.

Bewondering oogste Nederland ook met het subsidiebeleid. Het trok zelfs een contingent "jazz-gastarbeiders' aan, waarvan enkele tientallen zich hier blijvend vestigden. Een opmerkelijke zaak, omdat het, vooral aanvankelijk, om heel kleine bedragen ging. In 1975 omvatte de totale rijksubsidie voor de "jazz' nog geen 600.000 gulden. Het rendement was echter groot: zo'n 450 concerten in dat jaar zouden zonder subsidie niet plaats gevonden hebben.

Een ander teken van een veranderend klimaat kwam van impresario Paul Acket die terugkeerde in de moederschoot der jazz. Zijn eerste North Sea Festival was een strop, maar hij zette door. Hij kon het zich permitteren; de verkoop van zijn tijdschrift Muziek Express, groot geworden met Beatles en Stones, had hem een fortuin bezorgd. In 1977 verscheen er een boek met een optimistische titel Jazz - Improvisatie en Organisatie van een Groeiende Minderheid, natuurlijk door Rudy Koopmans (©0 1983). Het was het begin van een nieuw fenomeen: een gestage aanvoer van jazzteksten in de Nederlandse taal. Er kwam een encyclopedie van de Nederlandse jazz, een discografie, er werden nieuwe tijdschriften gelanceerd. Ook in kranten was de aandacht voor de jazz groeiende, en terecht, want er klonk in Nederland meer jazz dan ooit. In kleine jazzclubs die dankzij subsidies langer overleefden, maar ook op pleinen, parken en enorme tenten.

Overvallers

De overheidssubsidie voor de jazz is inmiddels aangegroeid tot een paar miljoen, maar verklaart dat de nog steeds voortdurende expansie? Voor een deel wel, maar er rest nog een vraag. Wie zijn toch de leveranciers van al die gezelligheid? De "overvallers' van toen, de Breukers, de Mengelbergs en hun nazaten? Die ook, maar slechts in zeer beperkte mate omdat veel consumenten hun "gedoe' maar vermoeiend vinden. De leveranciers van al die uren verteerbare jazz (soul, salsa, fusion, funk etcetera) zijn in toenemende mate jonge musici met een "swingdiploma' op zak: een officieel jazzbrevet zoals het Koninklijk Conservatorium in Den Haag dat verstrekt, of een diploma Lichte Muziek zoals in Hilversum, Utrecht en nog een aantal steden kan worden behaald. In 1974 begon de eerste opleiding in Rotterdam en tien jaar later werden er in heel Nederland zo'n duizend jazz-studenten geteld. De enorme groei van het aantal musici, wel of geen lid van de BIM, verklaart dat er ondanks de sterk verbeterde infrastructuur in de Nederjazz heel wat afgekankerd wordt. Want al zijn er subsidies en sponsors, en al worden er steeds meer jazzprijzen en compositie-opdrachten uitgedeeld, voor zoveel musici is er geen werk.

Gekonkeld wordt er dus, en gestreden ook, tot voor de rechter toe. De eerste rel, tussen "actuele improvisators' onderling, vond al in 1980 plaats. "Stank' rook Theo Loevendie toen, "manipulaties en vriendjespolitiek' noteerde Hans Dulfer. In 1983 werd de Stichting Jazz Produktie Nederland (SJPN) opgericht als tegenwicht tegen de SJIN die teveel geld aan de "improviserende musici' en te weinig aan de "echte' jazz zou besteden. Tot twee keer toe werd bij de Raad voor de Kunst om een aparte subsidiepot verzocht. De bijbehorende pennestrijd werd voornamelijk in deze krant uitgevochten, daarna zocht de SJPN, voornamelijk gesteund door conservatoriumdocenten en ex-leden van de ontmantelde radio-orkesten het in een AROB-procedure.

Impro's

In 1991 kwam de SJIN opnieuw onder vuur door een protestbrief van negen musici, voornamelijk afkomstig van de jazz-opleidingen. De argumenten werden herhaald, de SJIN-subsidieverdeling bevoordeelde de "impro's' ten koste van de "jazzzo's'. Om hun ongenoegen te onderstrepen organiseerden ze december 1991 in het Amsterdamse pianopaleis Christofori De Dag van de Ongesubsidieerde Jazz. Een kleine aantekening is hierbij op zijn plaats; de musici ontvingen wel individuele podiumsubsidie maar geen zogenaamd "groepsbudget' waarmee ook overhead en repetities gedekt kunnen worden. Om die te krijgen moet een groep een plan indienen, waarna de programmacommissie van de SJIN wikt en weegt, en tenslotte de knoop doorhakt. Er is veel meer vraag dan aanbod, zodat er altijd groepsleiders zijn die huilen. Of schreeuwen, zoals Hans Dulfer in 1984 deed, toen zijn groep Reflud uit de boot viel.

Constructieve reacties zijn ook mogelijk. Spelen in het buitenland bijvoorbeeld, zoals trompettist Angelo Verploegen die voor de tweede cd van zijn Houdini's naar Amerika reisde. Behalve met deze groep is hij ook actief in het kwintet van zangeres Denise Jannah, de Frank Grasso Big Band en een handvol andere formaties. Hoe is de toestand volgens Verploegen?

“Het gaat fantastisch met de jazz in Nederland,” zegt hij. Er valt een betekenisvolle stilte waarna hij gedreven begint op te sommen: hij heeft de afgelopen paar jaar aan zeker twintig cd's meegewerkt, onder andere de nieuwe van Candy Dulfer, en zijn concertmoyenne ligt op minstens tien per maand. “Ik zit er wel flink achteraan, het gaat niet vanzelf,” voegt hij er aan toe. Hij vertelt dat hij van alles heeft aangepakt en herinnert zich "Afrikaanse muziek in zo'n rare kaftan'. Gelukkig kan hij zich gaandeweg beperken tot wat hij echt leuk vindt. Hij heeft de laatste jaren "ook wat produkties gedaan, musicals onder andere', en vermoedt dat daar de meeste musici met een jazzdiploma terechtkomen. “Ze hebben niet echt de ambitie of het doorzettingsvermogen om jazzmusicus te worden en blijven dan óf thuis zitten óf belanden in zo'n orkestbak.” Heeft hij wel eens met een van die oude impro's gespeeld? Nee, maar hij zou het graag eens met Han Bennink proberen.

De laatste, als "instant composer' bekend van Amsterdam tot Tokio, heeft minder omhanden dan Angelo Verploegen. “Iedereen klaagt,” zegt Bennink “en voor mij is het momenteel ook hopeloos, ik geloof dat ik deze maand twee keer speel. Ik had gehoopt dat ik als eenvoudige boerelul op mijn vijftigste bekend genoeg zou zijn om vast op werk te kunnen rekenen, maar nee dus.”

Wat de toestand van de Nederlandse jazz als geheel betreft; die is verheugend en vreselijk tegelijk. Als lid van de programmacommissie van de SJIN (die dus de groepsbudgetten toekent) hoort Bennink de meest fantastische jonge musici. “Maar ze spelen vaak zulke oubollige muziek. In mijn tijd werd er op feestjes dixieland gespeeld maar nu is de bebop daar goed voor. De ouwe plaatjes van Coltrane hoor je nu als achtergrond in dure restaurants. Er zijn jonge musici die proberen de sound van de Jazz Messengers te reproduceren. Met exact dezelfde microfoonopstelling als daar en toen, dat soort humbug. Alles nog eens over doen, daar gaat het toch in de jazz niet om. We moeten de muziek toch wat verder helpen? Met ICP hebben we in 25 jaar dertig plaatjes uitgebracht. Dat is netjes, vind ik. Maar van die bakken vol Nederlandse jazz cd's die nu verschijnen word ik niet veel vrolijker.”

Gemengde gevoelens

Tegen de jaarwisseling verscheen er een chique doos met vijf cd's. Art in Jazz staat erop. Er is een kunstenaar ingehuurd voor de "hoezen', de opnamen zijn gemaakt in Studio 44 in Monster, vaak gefrequenteerd door Amerikaanse jazzmusici, en de sponsoring komt van EuroJazz, dochter van een in Californië zetelende zender. De muziek, gemaakt door jonge Nederlandse jazzmusici, merendeels gediplomeerd, roept gemengde gevoelens op. Wat een waanzinnig hoog technisch niveau, bijvoorbeeld bij het Michiel Borstlap Sextet. Geen enkele jazzliefhebber had daar 25 jaar geleden ook maar van durven dromen. Maar tegelijkertijd; hoe kan jazz van jonge musici zo braaf en introvert zijn? Hebben ze jaar-in-jaar-uit alleen maar naar Amerikaanse plaatjes van toen geluisterd? Zaten de ramen van hun instituten dichtgeplakt met kastpapier? De vraag is wat de Art in Jazz-doos betekent. Gaat de Glorious Past of America de toekomst van de Nederlandse jazz bepalen? Het ziet er naar uit. Tenzij de nieuwe impro's van onder andere NIKS, LOOS, SFEQ, SPLINKS en PALINCKX weten in te grijpen. Met "doordouwerige botheid' desnoods.