De hel

In het midden van de zestiende eeuw, ruim 400 jaar voordat Maarten 't Hart besloot zijn gedachten in het artikel "Nedergedaald ter helle' (CS 5 maart) weer te geven, kwam de Hervormdgezinde predikant Wouter Delenus ook reeds met bezwaren tegen het geloofsartikel over de "nederdaling ter hel'. Hij wilde het zelfs geheel weggelaten zien, doch later, na samenspraak met zijn collega's, liet hij de zaak verder rusten.

De Engelse prediker William Perkins (Warwickshire, 1558) verstond onder het artikel van de nederdaling ter helle "Christus' verkeren onder de slaverny des doods'.

In de Synode van Dordrecht 1618/19 werd de Heidelbergse Catechismus door alle aanwezigen geroemd en geheel conform de Heilige Schrift geacht. Alleen behielden de Engelse afgevaardigden zich het recht voor om het artikel "nedergedaald ter helle' anders uit te leggen dan in antwoord 44 van genoemde Cathechismus geschiedt, nl. als het zijn in de staat des doods. En zo zullen er ongetwijfeld nog wel meer voorbeelden te noemen zijn. Ook de Statenvertaling verstaat onder "hel' het rijk waar de gestorvenen zijn.

Op verschillende plaatsen in de Schrift vindt de gedachte steun dat Christus inderdaad in het rijk der doden heeft verkeerd. En terwijl zijn lichaam zich daar bevond, kon hij in overeenstemming met het Tweede Kruiswoord dus rustig met die moordenaar in het paradijs vertoeven.

't Hart heeft volkomen gelijk wanneer hij vaststelt dat Jezus' lichaam niet drie dagen, doch "slechts' 32 à 36 uur in het graf heeft gelegen. Maar "ten derden dagen' betekent ook niet "na drie dagen', doch "op de derde dag', waarbij de eerste die van de Kruisdood en begrafenis is geweest, de daaropvolgende Sabbath de tweede dag en de dag van de opstanding, de eerste dag der week, de derde dag. Dit betreft dus niet meer dan een taalkwestie.