De afdaling

In het dal lijkt het al lente. Maar als je omhoog kijkt naar de bergen zijn de toppen toch nog wel winterwit.

De rivier stroomt in hoge golven met ons mee. Lichtgroen en wild smeltwater. Ik herken de weg. De vreemde windmolen van Darieux, het vliegveldje, de waterval. Rechts tegen de steile rotswand zie ik de twee dikke lange pijpen die naar het gebouwtje onderaan de berg lopen. De hydro-elektriciteitscentrale van het plaatje uit mijn aardrijkskundeboek. In de verte ligt het kasteel. De Zwitserse vlag wappert in de zon. Nu linksaf, de weg met de haarspeldbochten op. We gaan klimmen. Ik doe mijn ogen maar even dicht.

De sneeuw is er ineens. Als ik mijn ogen open doe, staat zij zomaar patsboem in hoge muren langs de weg. Schuin boven de auto hangen de hellingen met skiërs, zwarte bewegende stipjes op een wit laken. En dan zie ik hem: de tandradbaan. Het rode treintje in de sneeuw. Langzaam kruipt hij naast ons de berg op. Hij duwt een grote bak waarop kisten en postzakken staan. Achter de raampjes zitten mensen met mutsen. En ergens op het steile spoor zakt het andere treintje naar het dal. Halverwege komen ze elkaar tegen. Ik heb vaak staan kijken. Ik hou van bergbanen en skiliftjes. Op de stations hoor je het zoemen van motoren. Er draaien grote wielen en je hoort holle geluiden. Het liefst zou ik er de hele dag mee de bergen op en af gaan. Toen ik kleiner was ging dat makkelijker. Toen konden mijn vader en moeder mij gewoon optillen en dan namen we in één dag alle bergliften van het hele dorp. Maar nu is dat moeilijker. Een rolstoel gaat niet in zo'n wiebelend ei. Maar de tandradbaan kunnen we nog wel weer eens proberen. Naar het dalstation en dan weer terug de berg op. “Ik denk dat het niet lukt,” zegt mijn moeder. “We kijken wel,” zeg ik. Dat klinkt veel leuker.

Het lukt niet. Dat er zoveel traptreetjes zouden zijn had ik niet verwacht. Wel honderd. Als ik naar beneden kijk word ik helemaal duizelig. Recht voor mij ligt het spoor. Eerst een lege plek. Daar wordt straks de houten bagagebak neergezet. Die zag ik net nog op het perron staan met postzakken erop en dozen. Het rode treintje staat te wachten. Nee, daar komen we niet bij. Mijn moeder staat te praten met de meneer met een pet. Hij kijkt naar mij en dan knikt hij. En voor ik het weet duwt hij me met rolstoel en al tussen de grote zakken van de Zwitserse posterijen. Wat gebeurt er nu met me? “Trek je muts maar diep over je oren,” zegt moeder. Ze zit naast mij op een grote kist. “Het zal straks best koud worden.” Zware kabels worden nu vastgehaakt. Een meneer met een walkietalkie geeft aanwijzingen. Het knarst, het trilt, het piept en ik hoor een hoge zoemtoon. We zweven. Het dak van het bergstation komt steeds dichterbij. Schuin beneden ons het treintje. Ik voel mijn hart in mijn das bonzen. Ik knijp mijn ogen stijf dicht. Met de tandradbaan wil ik wel, maar dit.... Voorzichtig doe ik één oog open. We zakken net boven het achterraam van het treinstel. Ik zie een heleboel gezichten achter het glas. Ze kijken naar de houten bak die nu bijna op z'n plaats staat. En ze zwaaien naar mij. Ik durf mijn hand nog niet op te steken. Nog even en dan... boemmmmm. We staan. De kabel worden afgekoppeld en meteen fluit de meneer met de pet. Het tandradtreintje zakt langzaam het station uit.

Wat is het licht fel. Naast ons zie ik auto's op de weg waar we altijd rijden. En in de verte de bergen waar mijn vader nu afskiet. En het balkon waar opa en oma koffie zitten de drinken. Konden ze mij nu maar zien. Dennebomen met dikke sneeuwtakken, chalets, hotels, ze klimmen allemaal voorbij. Het bergstation wordt kleiner en kleiner en mijn neus kouder en kouder. Maar dat geeft niet. Want de zon schijnt. En ik glij 20 km in een postbak recht op het dal af.