Dazen is mijn vak; Brieven van schilderes Sanne Bruinier

Sanne Bruinier: En al die onaangenaamheden omdat je geen man bent. Brieven van een jonge schilderes rond 1900. Uitgegeven door Andreas Burnier en Caroline van Tuyll van Serooskerken. Uitg. Contact, 255 blz. Prijs ƒ 34,90.

"Laat me geen partij kiezen, lieve O.L.H.'tje, niet horen bij een bepaalde zaak, bij bepaalde personen, met iedere dag terugkomende belangen. Laat me mogen houden, heel vreedzaam, van alle dingen en alle zaken waar 'k toevallig langskom, óók van heel kleine dingen en óók van koekebakkers. En laat ik me niet hoeven wringen in mooie schoenen die me niet passen en waar ik alleen in zou kunnen met opoffering van veel tenen.'

Dit schietgebedje schrijft Sanne Bruinier op 24 oktober 1901 vanuit Parijs, op een hoogtepunt in de crisis van haar verhouding met de toonaangevende Nederlandse kunstenaar Thorn Prikker, artistiek leider van de Haagse kunsthandel Arts and Crafts. Voor zijn aanhoudende huwelijksaanzoeken is ze op de vlucht geslagen, nadat het haar in Nederland niet lukte de beslissing tot het ja-woord te nemen.

Sanne is het jongste kind uit een goed burgerlijk intellectueel gezin te Leiden. Haar ouders, en vooral haar moeder geloofden in haar artistieke roeping en lieten haar vrij de reizen te maken die ze wilde. Als Sanne, vierentwintig jaar oud, in januari 1900 naar Parijs gaat, heeft ze de ouderlijke toestemming niet meer nodig, beiden overleden voor de eeuwwisseling. De rol van ijkpunt en raadgever wordt overgenomen door Sanne's oudere, reeds getrouwde zuster Hélène, aan wie ze vrijwel wekelijks uitvoerige brieven schrijft.

Ondanks haar onconventionele beslissing alleen naar de lichtstad te vertrekken blijkt Sanne over een rotsvast stelsel van normen en waarden te beschikken, waarin voor losbandigheid geen plaats is. Ze neemt zoveel mogelijk lessen op de Academie van Colarossi, kopieert in musea of studeert en leest thuis. Aan uiterlijke zaken hecht ze geen enkele waarde: "Als je voor alles zelf moet zorgen, en je hebt geen cent, word je vanzelf een slons, vooral als je daarbij meer let op de binnenkant.' Ook het huishouden ziet ze louter als een raar experiment. Ze bereidt witte bonen op het spiritusstel en maakt zo min mogelijk schoon: "Ik vind het bijna zonde om het stof op te jagen uit zijn rust.'

Slechts haar Poolse kunstenaarsvrienden, even shabby en arm als zijzelf, weten haar soms los te weken uit de zelfopgelegde discipline. Zo maakt ze toch kennis met de beroemde zelfkant van Parijs. Ze drinkt haar eerste (en vermoedelijk laatste) glas absint, wandelt in de maneschijn, en bezoekt de beroemde nachtgelegenheden waar kunstenaars als Steinlen, Kees van Dongen en Toulouse-Lautrec hun inspiratie opdeden. Ze neemt hieraan deel als toeschouwer, kijkt, en leert begrijpen, maar houdt op een aardige manier vast aan haar eigen overtuigingen.

Waarschijnlijk bleef Sanne tot het najaar van 1900 in Parijs, om daarna naar Nederland terug te gaan, maar op eigen verzoek werden al haar brieven van juni 1900 tot juni 1901 vernietigd. Ongetwijfeld speelt Thorn Prikker hierin een steeds belangrijker rol. Als we Sanne weer ontmoeten ontvlucht ze haar vasthoudende geliefde, eerst naar de Ardennen, dan naar Parijs en later naar Italië. Ze verkeert in een heftige en zenuwslopende tweestrijd tussen de liefde of haar kunst.

Ziet ze een echtpaar dan denkt ze "ineens aan dat delen: jij dt, ik dát, joúw terrein, mjn terrein.' Iets wat waarschijnlijk niet eens zou lukken met de veeleisende Thorn, in wie ze haar meerdere als kunstenaar ziet, en die háár modelstudies en tekeningen minachtend koekebakken noemt. "Hij zou alle dingen uit mijn handen willen rukken, een ferme brandstapel willen maken van alle dingen waar ik het meest om geef, en me dan kalm bij zich halen en de hele verantwoordelijkheid op zich nemen ook. Juist zoals hij zei: "Geef dan alles op en wil niets meer wezen dan mjn vrouw. Je zal zien, je krijgt meer terug dan je ooit gehad hebt'.'

Sanne wil het graag, maar kan het niet geloven. "Als hij me zelfs maar uit gekheid "vrouw' noemt, krijg ik een gewaarwording alsof ik word uitgescholden. Ik voel de splitsing in "mannen en vrouwen' als een akelige scheiding, waar ik niets mee te maken wil hebben. 't Was of ze je zeiden: "Daar heb je de ene helft van de wereld, van de andere moet je afblijven'.' Het liefst zou ze zijn gezworen kameraad blijven. "Begreep hij maar half wat een heerlijke toestand dat voor me wezen zou, als hij zelf kon zijn zoals ik. Maar je hebt gelijk. Ze begrijpen nóóit. Ze kunnen niet en mógen niet van O.L.H., want als ze je begrepen, zouen ze je laten gaan met hun zegen en wie zorgde voor het nageslacht?'

Het bezoek aan haar oude Parijse vrienden doet Sanne duidelijk goed, maar pas tijdens haar verblijf in Florence, herwint ze - ondanks de smeekbrieven van Prikker - het zelfvertrouwen in eigen werk. "Ik geniet weer,... 't Lijkt of dit hele jaar vol pijnlijke pogingen om óók in de bocht te springen, niet bestaan heeft.' Ze slentert en observeert, studeert en tekent als vanouds. "Er weer bovenop komen en durven mezelf te zijn, al ben ik de grootste koekenbakker op vier benen, dat is te heerlijk om erover te praten zelfs. (-) Ik wou zo graag lang zo blijven dazen en kijken en er desnoods naast blijven, goed, maar niet meedoen alsjeblieft. Dazen is nu eenmaal mijn vak.'

Zelfanalyses

Behalve door de rake en integere zelfanalyses, vallen Sannes brieven op door de volstrekte vanzelfsprekendheid waarmee kunst een essentiële, dagelijkse rol in haar bestaan speelt. Ze vindt inspiratie bij de schrijvers Willem Kloos, Maurice Maeterlinck en Scandinavische auteurs als Jonas Lie en Holger Drachmann. Wordt het mei dan herleest ze Gorter, ziet ze smakelijk wild op de markt, dan denkt ze schuldbewust aan van Eeden. Je vraagt je bij het lezen af of er tegenwoordig nog mensen zijn die zo vanzelfsprekend met enkele grote kunstenaars en literatoren als leidsman door het leven gaan. Waarschijnlijk niet.

De brieven van Sanne Bruinier zijn uitgegeven door Andreas Burnier en Caroline van Tuyll van Serooskerken. Het voorwoord belooft dat de brieven zich laten lezen als een roman. Omdat er dan toch teveel achtergronden onbelicht en personages onbekend zouden blijven is ervoor gekozen om, behalve een inleiding, een toelichting aan iedere brief vooraf te laten gaan. Deze vormen een waardevolle, soms hoognodige aanvulling. Nadeel is dat ze de lezer telkens weer losscheuren uit Sannes verhaal, waardoor het "romanlezen' bemoeilijkt wordt. Mij rest nog de vraag hoe het verdergaat met Sanne na 1902. De epiloog verhaalt maar tot 1914, terwijl ze toch pas in 1951 overlijdt. Wordt die wetenschap bewaard voor een vervolgdeel op deze brieven?