Curaçaose krant: Watch out! The Dutch are coming

WILLEMSTAD, 12 MAART. De dominotafel in Willemstad was afgelopen week getuige van - voor een staatkundige conferentie - ongewone taferelen. Nederland was naar de tropen afgereisd om in een driedaagse veldtocht de voormalige kolonie Curaçao en onderhorigheden stevig aan de teugel te nemen binnen een post-koloniale federatie-à la carte: status aparte voor Aruba, Curaçao en (op den duur) voor St. Maarten, terwijl de kleine eilanden Bonaire, Saba en St. Eustatius als “gemeenten buitengaats” onder rechtstreeks bewind van Den Haag zouden komen. Dit aanbod van Nederlandse zijde was het eerste verbazingwekkende feit. Tot voor kort immers waren de Tweede Kamer en koninkrijksminister Hirsch Ballin het er roerend over eens dat het Antilliaanse staatsverband niet “versnipperd” zou mogen worden.

Eigenlijk kwamen de eisen die Nederland koppelde aan de nieuwe interne autonomie minder als een verrassing: die zijn gebaseerd op de beginselen van rechtstatelijkheid en behoorlijk bestuur waar Hirsch Ballin al enige jaren op hamert. En die bijvoorbeeld ook zijn terug te vinden in de toelichting op de begroting van het Kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse zaken voor het nu lopende jaar.

Voordat eilanden kunnen genieten van hun splendid isolation, dienen zij dus het kasboek in orde te maken (en dat zo te houden), en de kwaliteit van het bestuur te verbeteren. Bovendien wil Nederland zelf een aantal voor de rechtsstaat fundamentele kruispunten in de ex-kolonie bezetten: de opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten, en de controle van de begrotingen zouden functies van het koninkrijk moeten worden. Het land der Nederlandse Antillen houdt immers op te bestaan en kan dus niet langer de rechtszekerheid waarborgen. Om die rechtszekerheid was het in 1989 allemaal begonnen. Bij het aantreden van het nieuwe kabinet schakelde Nederland onverwachts over op een geheel nieuw Antillenbeleid. Het Nederlandse streven naar onafhankelijkheid op termijn voor de eilanden, werd “intensievering van de samenwerking”. Als motief voor die plotselinge omslag is wel gewezen op de wens van Nederland om - onder druk van de VS - greep te krijgen op de intercontinentale drugshandel vanuit het Caraïbisch gebied. De concrete uitwerking deze week van de Nederlandse voorwaarden voor zelfbestuur op de verschillende eilanden bevestigt dat Nederland een actieve rol wil spelen in de Amerikaanse war on drugs.

De verontwaardiging dinsdagochtend van met name Curaçao over de Nederlandse eisen was al met al dus het tweede verbazingwekkende feit in de conferentiezaal van het International Trade Center. Curaçao, door een Nederlands adviseur naar het gelijknamige boek van Frank Martinus Arion aangeduid als “de rots der struikeling”, zette de hakken in het zand. Buiten de zaal briesten eilandelijke bestuurders over de ongehoorde aantasting van de autonomie. In de zaal verscheurde de Antilliaanse minister Römer (justitie) demonstratief Lubbers' synthesedocument en deponeerde de snippers op de tafel van haar collega Hirsch Ballin. Op zich een begrijpelijke actie aangezien de bevoegdheden van Römer, of die van haar opvolger, in de door Nederland gewenste verhoudingen teruggebracht worden tot die van een chef van de eilandelijke parkeerpolitie. Niettemin wees voorzitter Lubbers de Antilliaanse minister in een tête-à-tête hardhandig terecht.

Het was maandag allemaal zo veelbelovend begonnen. Als een eigentijdse Max Havelaar hield Lubbers een Rede tot de Hoofden van Lebak waarin alle aanvankelijke tegenstellingen tussen de wensen van de verschillende delegaties werden overbrugd. Toen hij echter aan het eind van de eerste dag een proeve van een mogelijk slotdocument aan het papier toevertrouwde, laaiden de weerstanden weer op. Geheel volgens de regels van het Doelgericht Vergaderen masseerde Lubbers vervolgens de diverse partijen in een ronde "bilateraaltjes' met als gevolg dat dinsdagavond overeenstemming nabij leek.

Toen Lubbers woensdag echter kwam met Voorlopige Conclusies, herhaalde zich het ritueel van de dag ervoor. Een adviseur van de delegatie van Curaçao betitelde in de bar van het ITC het stuk als “rotzooi”, waarna het kneden en masseren van Lubbers weer kon beginnen. Uiteindelijk mondde dit repeterend verschil in waardering van mondeling overleg en schriftelijke teksten uit in een impasse. De vergadering werd voor drie maanden verdaagd.

De voorzitter leek ondanks alles tevreden, Hirsch Ballin was teleurgesteld, de Antilliaanse premier Liberia Peters onmiskenbaar opgelucht en de Curaçaose delegatieleider Mendes de Gouveia was onverminderd woedend (“We zijn geïntimideerd en beledigd”).

Volgens de analyse die Lubbers na afloop maakte, waren de Antilliaanse partijen eenvoudig nog niet klaar om de Nederlandse voorstellen te accepteren. “Het punt van rijpheid” was rots der struikeling geweest.

Maar de andere kant van die vaststelling is dat aan Nederlandse zijde inschattingsfouten zijn gemaakt. Immers, als tevoren beseft was dat de Antilliaanse delegaties nog niet rijp waren voor het slecht-nieuwsgesprek met Nederland, had een voorzichtiger tactiek voor de hand gelegen. Nu is de indruk gewekt dat de koninkrijkspartners nodeloos in de gordijnen zijn gejaagd. Dat maakt een moederland dat de beginselen van behoorlijk bestuur komt verspreiden in een ex-kolonie, er niet geloofwaardiger op.

Nederland rechtvaardigt de gevolgde strategie van de overval met het argument dat er geen tijd te verliezen is. De problemen op de Antillen van bestuurlijke ontsporing en oplopende schulden nemen dagelijks in omvang toe, zo luidt de redering. Maar het argument dat van Overzee daartegen wordt ingebracht, snijdt ook hout: ten minste twintig jaar heeft Nederland de andere kant op gekeken en nu moet plotseling het hele bestuur in een Haagse mal gegoten worden.

Wellicht is door Nederland daarbij ook onvoldoende rekening gehouden met het feit dat met name de Curaçaose deelnemers een slechte herinnering bewaren aan de Ronde-Tafelconferentie van 1983. Ook die had plaats onder voorzitterschap van Lubbers en de belangrijkste uitkomst toen, status aparte met uitzicht op onafhankelijkheid voor Aruba, beschouwen de Curaçaoënaars nog altijd als een streek van de voorzitter. Vandaar dat Curaçao vorige week al in de loopgraven stond. In plaatselijke kranten zei Mendes de Gouveia: “Watch out! The Dutch are coming.”

Oud-premier Don Martina gebruikte afgelopen week trefzeker het beeld van een begrafenis om de Toekomstconferentie te typeren. Het land de Nederlandse-Antillen is dood, de erfenis moet met enige eerbied worden verdeeld. En de kist wordt niet op een holletje naar de groeve gedragen. Ofwel, de door Lubbers beloofde tempovertraging voor de volgende ronde van de conferentie over drie maanden hoeft geen tijdverlies op te leveren.