Christopher en Helen Frayling, Ron van der Meer: ...

Christopher en Helen Frayling, Ron van der Meer: Het Kunstpakket. Uitg. De Brink Amsterdam. Prijs ƒ 75,-.

Magdalena Droste, Manfred Ludewig, Bauhaus Archiv: Marcel Breuer Design. Uitg. Benedikt Taschen, 158 blz. Prijs ƒ 29,50

Liesbeth Crommelin: Textiel in het Stedelijk door. Uitg. Stedelijk Museum, 128 blz. Prijs ƒ 42,50.

Monografie Guillaume Bijl. Uitg. Kunst & Projecten Zeldegem, 224 blz. Prijs ƒ 125,-.

The New Wave. Uitg. Bamboo Publishing Ltd, Londen en Hotei Japanese prints, Leiden. Prijs: ƒ 210,-

Elke pagina van Het Kunstpakket biedt een kijkdoos of een surprise. Kom daar maar eens om in een kunsthistorisch boekwerk. Menig kunsthistoricus zal het als doos vormgegeven boek, oorspronkelijk een Engelse uitgave, dan ook onwennig of geïrriteerd naast zich neerleggen, maar voor hen is het Kunstpakket ook niet bedoeld.

Grote kinderen en vergeetachtige volwassenen krijgen in beknopte, glasheldere teksten een toelichting op basisbegrippen uit de schilder- en beeldhouwkunst zoals licht, beweging, verhouding en compositie. Driedimensionale uitklapbare en uitneembare modellen, zoals een mooi vormgegeven perspectiefkijker en een fenakistiscoop, een papieren schijf die al draaiend de daarop afgebeelde paardjes laat draven, maken de technische problemen aanschouwelijk waarover kunstenaars in de vijftiende tot en met de negentiende eeuw zich nog het hoofd moesten breken. Soms is een uitvouwbare miniatuur alleen om de schoonheid toegevoegd: het zestiende-eeuwse Isenheimer Altaar van Matthias Grünewald bijvoorbeeld verleidt de lezer om onmiddellijk af te reizen naar het Unterlinden Museum in Colmar.

De keuze van de bondig toegelichte kunstwerken uit alle kunsthistorische perioden, de kleurenreprodukties, de vormgeving, ze laten weinig te wensen over. Sommige modellen, zoals een uitduwbare mobile en een plastic zakje met bonte stukjes papier waarmee een eigen abstracte compositie kan worden geknutseld, lijken me overbodig. En de striptekening bij het hoofdstuk "De Kunstketen' stelt de ontwikkeling van een kunstenaar - van academie naar internationaal kunstcircuit - al te rooskleurig voor. Bovendien komen eigentijdse kunstvormen, zoals video en fotografie, er nauwelijks aan te pas. Maar die aanmerkingen mogen geen afbreuk doen aan al die andere vermakelijk opgediende kunsthistorische wetenswaardigheden. Wie weet volgt er een tweede deel met pop-ups van performances en installaties.

Christopher en Helen Frayling, Ron van der Meer: Het Kunstpakket. Uitg. De Brink Amsterdam. Prijs ƒ 75,-.

MARIANNE VERMEIJDEN

“De stoel uit staal is een esthetische onmogelijkheid”, schreef de Duitse schrijver Paul Scheerbart in 1914. Elf jaar later maakte de Bauhaus-vormgever Marcel Breuer (1902-1981) de Stahlclubsessel, nu een design-klassieker die als de Wassily-fauteuil nog steeds overal te koop is. Breuers stalen buisstoel werd het symbool van "radicale moderniteit', schrijft Magdalena Droste in het onlangs verschenen boek Marcel Breuer Design. Toch was de stoel tot Breuers eigen verbazing onmiddellijk een succes en daardoor de weerlegging van de wet dat alles wat nieuw is eerst op onbegrip en afwijzing stuit.

Valt er nog iets nieuws te vertellen over de Wassily-fauteuil en de andere meubels van Marcel Breuer? Vast wel, maar Magdalena Droste, werkzaam bij het Bauhaus Archiv in Berlijn, doet het niet in haar Duits-Frans-Engelse inleiding van Marcel Breuer Design, uitgebracht in de goedkope en mooie serie van de Duitse uitgeverij Benedikt Taschen. Droste beperkt zich tot een zakelijke, chronologische beschrijving van de ontwikkeling van Breuers omvangrijke meubeloeuvre, van zijn eerste expressionistische "romantische leunstoel' uit 1921 tot zijn zetels van gebogen hout uit de jaren veertig en vijftig. Het boek ontleent zijn waarde dan ook vooral aan het door Manfred Ludewig zorgvuldig samengestelde illustratie-gedeelte, dat het grootste gedeelte van het boek beslaat. Oude zwart-wit foto's, bijvoorbeeld van de door Breuer ingerichte Berlijnse woning van de Duitse toneelregisseur Piscator, worden afgewisseld met recente kleurenopnamen van meubels.

Ontwerptekeningen ontbreken geheel, zodat niets duidelijk wordt over de Breuers manier van werken. Met één geniepigheidje in de vorm van twee fotootjes van een stalen-buizen-krukje probeert Ludewig de uitvinding van de achterpootloze stoel alsnog toe te schrijven aan Marcel Breuer. Op de ene foto staat het krukje in normale stand, op de andere staat het gekanteld met de houten zitting tussen de twee poten. "Vom Hocker (1925) zum Freischwinger (1927)' luidt het bijschrift dat hiermee suggereert dat het toch eigenlijk niet de Nederlander Mart Stam was die de eerste "Freischwinger' maakte.

Magdalena Droste, Manfred Ludewig, Bauhaus Archiv: Marcel Breuer Design. Uitg. Benedikt Taschen, 158 blz. Prijs ƒ 29,50

BERNARD HULSMAN

Het Stedelijk Museum is in 1989 begonnen met het publiceren van een reeks waarin per discipline een keuze uit de collectie wordt gedocumenteerd. Als vijfde deel is nu verschenen Textiel in het Stedelijk, dat straks van de zomer ook als catalogus zal dienen bij de overzichtstentoonstelling van de textielcollectie van het museum.

De grafische vormgeving van de serie, door Ben en Daphne Duijvelshoff, is ingetogen, op het klassieke af; de grootste visuele verrassing zijn de zoetroze binnenkanten van de omslag. Deze terughoudende opstelling van de vormgevers geeft niet alleen alle ruimte aan de afgebeelde kunstwerken, maar past ook goed bij het documentaire karakter van de reeks. Door de tweetaligheid (Nederlands en Engels) valt de tekst in twee afzonderlijke blokken uiteen, maar ze worden toch verbonden door de afbeeldingen die als één lopend verhaal over beide taalblokken zijn verdeeld.

In kort bestek schetst Liesbeth Crommelin, conservator toegepaste kunst, de geschiedenis van de textielcollectie. Daarna volgen "associatieve beschrijvingen' van een aantal belangrijke werken en hun makers. Die worden vaak bij de voornaam genoemd, wat voor de buitenstaander een ergerlijk incrowd-sfeertje oproept. De jaren zestig zijn natuurlijk goed vertegenwoordigd. Het zijn de jaren waarin deze discipline zich van het stramien van oude weeftechnieken en schilderkunstige tradities bevrijdde en het etiket "toegepast' van zich af probeerde te schudden. Hoe rekbaar de grenzen van "textiel' sindsdien zijn geworden, blijkt uit de opname in de collectie van een object van papier van de Roemeense Ritzi Jacobi en Addy Coumou en "driedimensionale tekeningen' met dun ijzerdraad van Karen Hansen.

Na de stormachtige ontwikkeling van de jaren zestig en zeventig wordt de textielcollectie van het Stedelijk nu "selectief uitgebreid' en zijn er minder tentoonstellingen. Zoals Liesbeth Crommelin bijna weemoedig constateert: “Het meebeleven van een kunstbeweging (-) is zo meeslepend dat dan alleen de behoefte bestaat het te laten zien, er over te praten. Later als het onverbiddelijk herinnering, geschiedenis is geworden, komt het moeilijke proces van de beschrijving.” Dat moment is nu.

Liesbeth Crommelin: Textiel in het Stedelijk door. Uitg. Stedelijk Museum, 128 blz. Prijs ƒ 42,50.

TRACY METZ

Honderd kleurenfoto's en twee korte teksten ter begeleiding van de weergegeven installaties: de monografie van de Belgische beeldhouwer Guillaume Bijl is voorbeeldig verzorgd door de kleine uitgeverij Kunst & Projecten uit Zeldegem. De verhouding tussen fictie en werkelijkheid is steeds het thema van Bijls ruimtelijke ensceneringen. Het grootste deel van zijn oeuvre bestaat uit tijdelijke "transformaties'; galeries en musea tovert hij sinds 1979 om tot autoshowroom, fitness-club, atoomschuilkelder of snackbar. In het Stedelijk Museum richtte hij voor de tentoonstelling Wat Amsterdam betreft een zaal in als tapijthandel, de kassa van het Amsterdamse Shaffytheater werd een geldwisselkantoor en tussen de Middeleeuwse retabelen van het Utrechtse Centraal Museum verrees een sauna. De gedaanteverwisselingen hangen nauw samen met de architectuur en sfeer van de beschikbare expositieruimte, en soms ook met het gastland. Zo werd de Kunstverein in Kassel het decor voor een partijcongres van de (fictieve) Neue Demokratische Partei, terwijl in Wenen een Komponisten-Sterbezimmer werd ingericht met de onontkoombare vleugel als hoogtepunt en Biedermeier-schilderijen aan de wand.

Maar een galeriebezoeker is een gewaarschuwd mens. Wie gelooft werkelijk dat een professioneel huwelijksbureau zijn intrek in een museumzaal heeft genomen? Terwijl Bert Jansen in zijn opgenomen artikel stelt dat Bijl tenslotte altijd wordt ontmaskerd als vervalser van de realiteit omdat hij af en toe een foutje maakt in zijn arrangementen, geloof ik dat het eerder de nieuwheid van alle opgestelde waren is die hem verraadt. Zijn opstellingen zijn prototypes voor een orgelwinkel, een Miss-verkiezing, een caravanshow. Te perfect, dus onwaarschijnlijk. De beste typering geeft Jan Hoet in zijn inleiding van de monografie: “Bijl representeert de realiteit niet, hij toont hoe ze zichzelf (re)presenteert.” Het is de analyse van het etaleren en aanprijzen die ervoor zorgt dat je niet langs bijvoorbeeld een Beierse winkel met kuitbroeken en Tiroler hoedjes kunt lopen zonder te denken: Hé, een Bijl!

Monografie Guillaume Bijl. Uitg. Kunst & Projecten Zeldegem, 224 blz. Prijs ƒ 125,-.

RENÉE STEENBERGEN

Japanse dames dansen de charleston, geisha's drinken zoiets als campari en ze steken af en toe ook nog een sigaretje op, zoals Kobayakawa Kiyoshi (1896-1948) liet zien. Deze ongebruikelijke voorstellingen biedt The New Wave, een overzicht van 20ste-eeuwse Japanse prenten uit de grootste verzameling op dit gebied van de Amerikaan Robert O. Muller, die onlangs te zien waren in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden. In dit grondige, rijk geïllustreerde naslagwerk is stap voor stap de Japanse "verwestersing' tussen 1880 en 1940 te volgen, toen bamboe-bruggen plaatsmaakten voor gietijzer, lampionnen vervangen werden door elektriciteitsmasten en steeds meer Japanse kunstenaars een voorbeeld namen aan hun Franse collega-grafici.

The New Wave. Uitg. Bamboo Publishing Ltd, Londen en Hotei Japanese prints, Leiden. Prijs: ƒ 210,-