"Wij gaan er een heel mooi leven van maken'

“Ik had dit kind echt niet nodig om gelukkig te zijn!” zegt Pieter Kok (46) voorzichtig maar stralend. Bijna vijf maanden geleden werd hij voor het eerst vader. “Zelf was ik ook een zeer gewenst kind. Mijn ouders waren getrouwd in de hongerwinter, dus... nieuwe hoop, de wederopbouw van Nederland: dat was ons gezin.” De tijd van de ongewenste kinderen kan hij zich goed herinneren. “Ik ben nog van vóór de pil dus grootgebracht met angst. Condooms: verschrikkelijk moeilijk want hoe kwam je daar eigenlijk aan. Naar een drogist toe om een pakje te vragen? Dat deed je dan maar niet...”

Hij heeft verschillende langdurige relaties gehad en hoewel hij zegt dat hij altijd meteen wist of hij bij iemand een kind wilde, kwam het er maar niet van. “Ik vond kinderen heerlijk en ik wist dat ik een prima vader zou zijn maar het hoefde niet meteen.” Toen hij in Delft studeerde had hij een vriendin die een kind wilde maar hijzelf dus nog niet; toen hij was afgestudeerd wilde hij wel, maar inmiddels zat zij op het conservatorium. “En dat heeft zich steeds herhaald, dat Het Moment” - hoorbare hoofdletters - “nooit synchroon liep. Dus ik dacht op een gegeven moment dat ik nooit kinderen zou krijgen en dat vond ik ook wel eens jammer. Vooral als ik bij andere mensen was die wel...”

Frances, de moeder van Jimmy, is vierendertig. “We leerden elkaar kennen op Koninginnedag, nu vijf jaar geleden. En dat was meteen het idee van: dit is goed! Maar kinderen? Ik had een leuke baan op dat moment en Frances was zoekende maar heeft sindsdien haar draai ook wel gevonden.” Zij is niet thuis, want ze geeft les; ze is free-lance journaliste en doet scholingswerk.

“Die zwangerschap kwam voor haar misschien toch nog te vroeg, maar we hadden al twee jaar onbeschermd gevreeën en toen was ze ineens zwanger. Ik dacht: dit is een droom! Heel surrealistisch, we hoorden het op een vrijdag. 's Zaterdags waren we op een feestje en daar hebben we nog niks gezegd en die zondag zaten we in het vliegtuig naar Ibiza, dus we waren in de lucht en we bleven in de wolken, eigenlijk. En we waren meteen bezig met namen: namen was ons eerste probleem. Niet het kind maar de naam!” Het is een Jimmy geworden; hij kijkt helder uit zijn ogen en lacht naar wat hij ziet, eerst met zijn gezicht, dan met zijn hele lijfje.

Een ander probleem was de huisvesting. “We hadden twee aparte huizen maar we sliepen bij elkaar. Soms fietsten we vijf keer per dag het Vondelpark op en neer. Heel mooi en bevredigend.” Maar voor een kind waren beide huizen te klein tot Pieter Kok toestemming kreeg aan zijn etage door middel van een binnentrap de zolder toe te voegen. “Toen ben ik als een gek gaan verbouwen, hier.” Centrale verwarming, een badkamer met ligbad, een werkkamer voor Frances. “Een race tegen de tijd; de avond voordat Jimmy geboren werd heb ik ons bed nog twintig centimeter hoger getimmerd.” De architect Pieter Kok is bijna net zo trots als de vader.

“Dat was dus al een grote verandering, vooral voor Frances.” Hij is er zich erg van bewust dat zij veel meer heeft moeten inleveren dan alleen maar die eigen woonruimte. Tijd, bijvoorbeeld. “Dat je die niet meer zelf kan indelen, dat je dag en nacht aan dat kind moet geven. Want het zijn toch de vrouwen die opdraaien voor de zorg. Terwijl ik het anders wil! Maar ik kan dat niet oplossen; je hebt een baan of je hebt geen baan maar je hebt nooit de keuze van een halve baan.” Ook lichamelijk voelt hij zich bevoorrecht. “Als je klein bent besef je op een gegeven moment dat je een jongetje bent en geen meisje. En dat besef had er voor mij mee te maken dat ik heel blij was dat ik nooit een kind zou hoeven te baren.”

Het gebeurde thuis en hij was er bij. “Ik vond dat ik actief mee moest helpen. Dus geen foto's; daar houd ik toch al niet van, dat bloederige en dan: "Dit is mijn vrouw toen ze beviel!' Het ging heel snel; ik zat op het puntje van het bed en zij zat op zo'n baarkruk en de vroedvrouw zat ervoor en via een spiegel, - dat was heel mooi! - heb ik toen dat hoofdje zien komen en opeens lag hij daar! En dat is dan... daar heb je dat kind waar je negen maanden naartoe groeit. Ik had al hele gesprekken met hem gevoerd toen hij nog in de buik was en een aantal muzieksoorten voor hem gedraaid waar ik erg aan gehecht ben opdat hij als hij er uit was de sfeer zou herkennen. Dus in gedachten had ik al een beeld van hem en dan wordt dat kind geboren en dat beeld dat klopt niet! Ik had zoiets van: ben jij nou degeen waar wij voor de rest van ons leven aan vastzitten? Ik mocht van de vroedvrouw de navelstreng doorknippen maar ik had echt niet het idee: dit is mijn kind! Meer iets van: Mwoah... jaja! Er was een individu geboren, iemand die daar een beetje lag te snuiven, zo van: wat gebeurt mij nu? Hij lag heel erg zichzelf te wezen; ik hoefde niets meer voor hem te doen. Hij wàs daar en toen heb ik tegen hem gezegd: “Wij gaan er een heel mooi leven van maken.”

Toen Jimmy een week oud was zei zijn moeder: "Hij is helemaal niet goed!' Een beetje benauwd en zo; de huisarts bekeek hem en liet hem opnemen. “Hij bleek uitgedroogd, moest meteen aan het infuus en dat wolkengevoel dat we hadden was weg. Een verandering in een verandering in feite: als we naar de wieg keken was er niks, en twee-, driemaal per dag gingen we naar Amstelveen om hem te zien. De kinderarts zei: "Ja, we weten niet alles: met kinderen kan je niet alles voorspellen.' ”

Na een week kwam Jimmy naar huis, drie weken later ging het opnieuw mis. “Hij was helemaal blauw en dreigde te stikken en terwijl een buurjongen honderdtwintig reed, dwars door alle rode lichten heen, heeft Frances mond-op-mondbeademing toegepast. Ik was op mijn werk gebeld, kwam op de Eerste-Hulppost en de dienstdoende arts zei tegen mij: "Wat weet u al?' Een waanzinnige benadering natuurlijk en toen, op dat moment, heb ik afscheid van Jimmy genomen. Ik was hem kwijt, ik dacht: nou, dat was dus mijn kind... Maar de aanval bleek weer voorbij; hij was wat slapjes maar gezond! Ze hebben een dag lang een sonde in zijn slokdarm gehouden en zo kwamen ze erachter dat het een reflux was. Een onvolkomen sluitspier waardoor het voedsel vanuit de maag naar de slokdarm kan pendelen en vanuit de slokdarm kan het dan naar de luchtpijp schieten, met als reflex dat de luchtpijp afgesloten wordt en dan krijgt hij geen adem meer. Een van de oorzaken van wiegedood, want het kind kan zelf die reflex niet doorbreken. Je kunt het dan aan het schrikken maken, je kunt het op de voetjes slaan, over de schouder nemen en op de rug kloppen en natuurlijk die mond-op-mond beademing. Verder kun je de wieg scheef zetten en er is ook een medicijn dat ervoor zorgt dat de maaginhoud versneld door de darmwand wordt opgenomen. En een verdikkingsmiddel, Johannesbroodpitmeel: heel gezond.”

Jimmy jammert een beetje. Het is tijd voor zijn fles en hij begint driftig te drinken. “Vrienden van ons, met borstvoeding, hebben eigenlijk niks met hun kind want die moeder is altijd maar aan het voeden en zij staan daar maar bij. Maar dit is gelijkwaardig: wij vechten bijna om de fles!”

Drinkend valt Jimmy in slaap, in de armen van zijn vader. 's Nachts ligt hij aan een monitor. “Dat kastje daar, met een aantal LEDjes, lampjes die groen uitslaan als het goed is en rode lichtjes vertonen en een harde piep geven, - als het continueert een ononderbroken piep - wanneer de hartfunctie niet goed is of als er een apneu-situatie is dus als hij twintig seconden niet ademt. Die hartfrequentie kun je instellen: onder de 60 slagen per minuut of boven de 250. Maar hij slaat bij ons voornamelijk uit vanwege het feit dat Jimmy in de nacht zoveel gekeerd heeft dat de elektroden die op een klittenbandje op zijn borst zitten van hun plaats zijn en dat maakt dan contact. Soms hebben we avonden en nachten dat we er elk uur uit moeten maar ik moet zeggen dat het wel ontzettend veel rust geeft dat je kunt slapen zonder dat je elk moment naar hem moet gaan kijken.”

Want de bezorgdheid blijft. “Eigenlijk heb ik nu al twee keer afstand van hem gedaan. Die kinderarts zei destijds over die benauwdheid van hem: "Ja, zo'n kind krijgt het leven maar daarmee is alles gezegd. Want het feit dat hij leeft betekent ook dat hij dood kan gaan.' Zo zie ik het ook en in die zin kun je ook niet zeggen dat je een kind hebt!” Jimmy wordt wakker en begint weer te lachen. “'t Is een grappenmaker, dat zag ik eigenlijk meteen al. De nacht dat hij geboren was sliep ik hier beneden en ik droomde dat ik in een soort jute, houten vliegtuigje zat en ik dacht: wie is hier eigenlijk de piloot? En toen ontdekte ik dat ik zelf aan de knuppel zat. Ik had nog nooit vliegles gehad en dacht: hoe kom ik in godsnaam weer aan de grond?” Een droom die zich moeilijk laat duiden of het zou moeten zijn dat hij gaat over bang zijn en dapper tegelijk. Het vaderschap als avontuur: gewenst maar ongewis.