Westen hoeft zich niet te laten chanteren

“De tegenwoordige Servische regering kan in haar strijd op de ondersteuning van het grote Rusland rekenen.” Dat zei de Russische minister van buitenlandse zaken, Andrej Kozyrev, op 14 december van het vorige jaar tijdens een ministersvergadering in Stockholm van de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa. De opmerking was onderdeel van een militante anti-Westerse verklaring die Kozyrev vervolgens omschreef als de neerslag van het denken van de Russische oppositie. Hij had zijn tafelgenoten slechts met dat denken vertrouwd willen maken.

In de tijd die rest tot de aangekondigde topontmoeting tussen de presidenten Clinton en Jeltsin staat de vriendschap tussen Rusland en het Westen voorop. Zowel in Washington als in de omgeving van Jeltsin wordt de nadruk gelegd op wat bindt en niet op wat scheidt. In Amerika komen daar dan nog uitspraken bij over de noodzaak van verruiming van de hulpverlening, in Rusland over de behoefte daaraan. Maar de door Kozyrev ten tonele gevoerde Russische oppositie is altijd in de gedachten. De Amerikaanse en, meer in het algemeen, de Westerse politiek staat onder druk van de mogelijkheid dat Jeltsin ten onder gaat. Jeltsin cum suis laten dan ook niets na om het Westen op die kwade kans te attenderen. Kozyrev noemde zijn in Stockholm afgelegde en als schokkend ervaren verklaring achteraf een retorische kunstgreep. Een minder charmante omschrijving was ook denkbaar geweest.

Ontegenzeggelijk heeft Rusland grote aanpassingsproblemen, zoals ook de Sovjet-Unie die al had. En het gaat dan om problemen die consequenties hebben voor de Westerse wereld, Europa in het bijzonder. De geregelde liquidatie van de reusachtige, overtollig geworden wapenvoorraden, de beveiliging van de kerncentrales, de Russische wens voor de eigen produktie van wapens en veiligheidsgevoelige technologie toegang te krijgen tot de wereldmarkt, de belasting van het milieu en de verspilling van energie en produktie door verwaarlozing en ontreddering, het zijn alle vraagstukken die Rusland alleen of zelfs in het verband van het Gemenebest van Onafhankelijke Staten niet kan oplossen.

Daarbij komen de gerepatrieerde voormalige Sovjet-militairen waarvoor geen emplooi en geen verzorging is en die een politieke zwerfkei dreigen te worden in het verloederende maatschappelijke en politieke landschap. En ten slotte en niet het minst zijn er de middelpuntvliedende krachten die voormalige Sovjet-republieken verder uiteen drijven en de samenhang in de Russische federatie rechtstreeks belagen. De republieken zijn nu soevereine staten en delen van de federatie trachten dat te worden, maar voor de Russen gaat het niet alleen om streken waarin (soms veel) Russen wonen, maar bovendien om gebieden waarvan de bevolking door de eeuwen heen met Rusland was verbonden. Kozyrev in een beschouwing in NATO review: “Het ligt voor de hand dat het gehele geografische gebied van de voormalige USSR voor ons een sfeer van levensbelang is.”

De Westerse politiek tijdens de Koude Oorlog ten opzichte van het Kremlin heette op afschrikking gebaseerd te zijn, maar zij had ook vaak iets van een bezwering. De Russische beer is immers het symbool van onberekenbare gewelddadigheid. De ontspanningspolitiek van de jaren zeventig bijvoorbeeld was een voorzichtige poging het dier te temmen. Pas met de persoon van Gorbatsjov kreeg de Sovjet-politiek geloofwaardige trekken van redelijkheid, zelfbeheersing en zakelijkheid. Dat was ook de belangrijkste grond van Gorbatsjovs populariteit in het Westen. Maar het was een kortstondig verschijnsel. Waanvoorstellingen over het buitenland krijgen de Russen weer in hun greep en Jeltsin toont, ondanks zijn vaak kranige optreden, als een dam die eens onder de druk moet bezwijken. Opnieuw voelt het Westen zich belast met de taak om het ergste te helpen voorkomen.

Misschien biedt de aanstaande top de nieuwe Amerikaanse president een historische kans, namelijk die om te breken met het gebruikelijke buigen voor de oneigenlijke druk van Ruslands problemen en van Russische paranoia. Vooropgesteld dat Rusland altijd een relatie met het Westen zal hebben, dat het Westen in het uiterste geval zelfs een eventueel zelfgekozen Russisch isolement zou willen doorbreken, moet worden voorkomen dat het Westen een chronisch slachtoffer van die relatie wordt. De verantwoordelijkheid voor de gezondheid van de onderlinge betrekkingen ligt aan twee kanten. Ook als Moskou en het Kremlin weer in handen zouden raken van de extremen voor wie Kozyrev in Stockholm waarschuwde, zou dat uitgangspunt dienen te blijven.

Indien de goede wil in Moskou de maat der onderlinge betrekkingen is, heeft het Westen de beschikking over een bruikbare standaard waaraan het de eigen politiek kan toetsen. In de omgang met de regering-Jeltsin behoeft het Westen zich niet te laten chanteren door de reactionairen op de achtergrond noch behoeft het zich iets aan te trekken van de gespeelde zwartgalligheid van Jeltsin cum suis. De reactie wordt niet afgekocht met het storten van dollars in een bodemloze put, integendeel, de reactie moet worden afgeschrikt met de verzekering dat hulp zal afnemen evenredig met de vermindering van de geloofwaardigheid van het Russische experiment in markteconomie en pluralistische politiek. Het maakt onder omstandigheden immers niet veel uit of de reactionairen in het Volkscongres de regering verlammen dan wel dat zij de macht overnemen.

Er moet vanzelfsprekend wel sprake zijn van hulp, wil er met vermindering van hulp kunnen worden gedreigd. En smalend zal worden opgemerkt dat het Westen op dat punt momenteel niet veel indruk maakt. Maar dan wordt voorbijgegaan aan het betrekkelijke belang van de daadwerkelijke bedragen aan directe financiële steun. Rusland wenst uiteindelijke gelijkwaardigheid op alle gebieden van de internationale betrekkingen en droomt van meer dan formele gelijkheid met de koplopers in de wereld. In die zin onderscheidt het zich niet van de Sovjet-Unie, zij het dat destijds de inlossing van dat verlangen als een historische vanzelfsprekendheid werd beschouwd. Het Westen heeft de sleutel in handen tot het gezamenlijke speelveld. Van dat voorrecht moet het verstandig en doelmatig gebruikmaken. Niet in de laatste plaats in het belang van de Russen zelf.