Vezelsdivisie Akzo ziet vrouwen liefst in rok tot de enkel

DÜSSELDORF, 11 MAART. Van mini-rokken zijn ze bij het Arnhemse chemieconcern Akzo niet overal even gecharmeerd. Op de vezeldivisie van de onderneming ziet men de Europese vrouwen liever in kleding tot de enkels gehuld, want dat levert tenminste een behoorlijke vraag op naar de textielvezels van Akzo. En wat zou het daarom mooi zijn als de oude modevuistregel die stelt dat mensen in economische recessieperiodes willen wegkruipen in vele lagen kleding, ook de komende maanden weer van kracht zou blijken te zijn.

Maar de feiten drukken vooralsnog die hoop de kop in. Want hoewel de export van de Westeuropese textielindustrie vorig jaar licht is toegenomen, daalde de vraag naar textiel en kleding in Europa vorig jaar met twee procent. De produktie van de textielindustrie in Europa daalde eveneens met twee procent. Dat blijkt uit het rapport "Chemische vezels in 1992', dat gisteren door de Vezelgroep van Akzo in Düsseldorf werd gepresenteerd.

Voor Akzo, dat in Europa één van de belangrijkste toeleveranciers is van chemische vezels voor de textielindustrie, is de weerslag van de ontwikkelingen in de textielbranche onmiddellijk voelbaar. Nu steeds meer textielindustrie in Zuidoost-Azië plaatsvindt, neemt ook het belang van toeleveranciers van chemische vezels uit die regio toe. Vorig jaar kwam 54 procent van de wereldproduktie van chemische vezels - in totaal 20,2 miljoen ton - uit andere gebieden dan Europa, de VS en Japan. Twintig jaar geleden was dat nog maar 24 procent.

Ook in de Europese automobielindustrie, met de textielbranche voor Akzo de belangrijkste afnemer van chemische vezels, zijn de vooruitzichten weinig florissant. De produktie van personenauto's zal naar verwachting in 1993 verder teruglopen en dat betekent voor Akzo, dat onder andere garens- en industriële weefsels levert voor autobanden en autogordels, minder afzetmogelijkheden. Als gevolg van deze ontwikkelingen, een afnemende vraag en een sterke druk op de prijzen door de toegenomen concurrentie, heeft de vezelgroep van Akzo de omzet in 1992 met 460 miljoen gulden zien teruglopen tot 3,8 miljard gulden.

Voor dr. F.W. Fröhlich, sinds twee jaar president van de vezelsgroep van Akzo, zijn de marktontwikkelingen reden om de saneringen bij de vezelstak verder door te zetten. De vezelsproduktie bij Akzo is nog steeds veel te arbeidsintensief, en daardoor te duur om de concurrentieslag aan te kunnen, zei Fröhlich gisteren in Düsseldorf. De arbeidskosten maken op dit moment 40 procent van de omzet uit, ruim twee maal zoveel als het gemiddelde cijfer in de chemiebranche. Twintig procent zal voor de vezels niet haalbaar zijn, voegde hij daaraan toe, maar 35 procent moet volgens Fröhlich mogelijk zijn.

Evenals vorig jaar wil hij de loonkosten in 1993 met zes procent terugbrengen. In 1992 werd dat bereikt door het schrappen van 1200 banen en het afstoten van een bedrijfsonderdeel waar 500 mensen werkten. Daarmee kwam het personeelsbestand uit op 19.300 werknemers. Hoe de komende loonkostenvermindering moet plaatsvinden, wilde Fröhlich op dit moment niet nader aanduiden. Hij wilde ook niet ingaan op de vraag of, naast de lopende reorganisaties bij twee belangrijke fabrieken van Akzo, in Emmen en in het Duitse Oberbruch, ook in de andere tien Europese produktievestigingen gesneden zal worden.

Fröhlich benadrukte opnieuw dat de vezelsgroep van Akzo zeer open staat voor samenwerking met partners op deelgebieden. De recente overeenkomst met het Amerikaanse bedrijf Allied-Signal, dat een meerderheidsbelang neemt in de tapijtgarens-activiteiten van Akzo, en de Japanse onderneming Toho, waarmee een soortgelijke afspraak is gemaakt op het gebied van de koolstofvezel Tenax, zijn daarvan goede voorbeelden. Het grote voordeel voor Akzo is dat de onderneming op deze manier gebruik kan blijven maken van de infrastructuur, maar de minderheidsbelangen niet langer in de geconsolideerde resultaten hoeft op te nemen. De speurtocht naar geschikte ondernemingen om mee samen te werken, neemt volgens Fröhlich echter veel tijd in beslag. Er wordt veel gepraat”, zei Fröhlich, “maar door de geringe investeringsbereidheid bij potentieel genteresseerden is het moelijk om goede partners te vinden.”