Toepasselijk

Trillend en stampend, sleurend aan drie lakse rijnaken, kwam de sleepboot langs de kop van de krib. Aan de stuurhut hing een glanzend houten bord met in goud de naam van de kapitein: W. Stavast.

Een oom van me zei er wat van. Ik was een jaar of twaalf. Ik had nog nooit op deze manier naar een naam gekeken.

Later, als leerling bij Het Vrije Volk, zette ik tussen haakjes een uitroepteken achter een zekere Worst, wethouder te Rotterdam, belast met slachthuiszaken. Heel leerzaam. Een onvergetelijke uitbrander. Als nu de heer Baksteen commentaar levert op het neerstorten van een vliegtuig, of dokter Zaad onderzoek blijkt te doen naar de vruchtbaarheid van vrouwen, plaats ik mijn uitroeptekens in besloten kring.

Vooral bij fictie kan de symboliek van een naam zich opdringen. Als je er zelf niet aan denkt, doet een ander het wel. In een van mijn boeken zit een fotograaf die Simon heet. Een Groninger neerlandicus analyseerde: Simon=jodenman=grote neus=fototoestel+telelens. Zo wordt literatuur vergald door mensen die er verstand van hebben.

Ik wil nog eens een verhaal schrijven met dertig personages die allemaal Jansen heten, alleen maar Jansen.

(Dit bij een bezoek aan "Westduin' in Den Haag, het graf van mijn schoonvader, op een steen in de buurt: Johannes VOORBIJ, 1922-1983. En die graven worden binnenkort nog geruimd ook.)