Thuis op de heide; Katholiek ontginnen en verheffen op het Brabantse platteland

P.H.M.Thissen, Heideontginning en modernisering. In het bijzonder in drie Brabantse Peelgemeenten 1850-1940. ISBN 90 5345 027 Stichting Matrijs 1993. Prijs: ƒ 49,95, 331 blz.

Ruim honderd jaar geleden was de helft van de zandgronden in Oost- en Zuid-Nederland bedekt met heidevelden. Op wat beschermde natuurgebieden en militaire oefenterreinen na is daar nu weinig meer van over. De heide is ontgonnen tot produktiebos of landbouwgrond.

Naar het ontstaan van deze jonge ontginningslandschappen in Hoog-Nederland is nog maar weinig onderzoek gedaan - dit in tegenstelling tot de veenontginningen, droogmakerijen en bedijkingen in Laag-Nederland en de oude cultuurlandschappen in Drenthe. Het onderzoek naar heide-ontginningen in de Peel, waarop de sociaal-geograaf Paul Thissen vandaag in Nijmegen promoveert, vult dit gat enigszins op.

Thissen onderzocht de heide-ontginning als uitdrukking van de modernisering van de Oostbrabantse plattelandssamenleving. Hij deed onderzoek in Boekel, Gemert en Bakel, drie aan elkaar grenzende Peeldorpen waar de ontginningslandschappen varieerden van kleinschalige keuterontginningen tot grootschalige landgoedontginningen.

De modernisering van het Oostbrabantse platteland kwam op gang tussen 1850 en 1880 toen de dorpen aan de rand van de Peel door verharde wegen ontsloten werden en de internationale markteconomie ook hier doordrong. Doordat de vraag naar boter vanuit het industrialiserende buitenland toenam, gingen de boeren zich steeds meer op veeteelt richten en ontstond er behoefte aan bedrijfsuitbreiding. Gemeenten die slecht bij kas zaten zoals Gemert en Bakel betaalden de aanleg van verharde wegen uit de verkoop van heide aan vermogende particulieren.

Tot grootschalige ontginningen kwam het echter niet. De heide was nog een onmisbare schakel in het landbouwsysteem. Nu kampt de Peel met mestoverschotten, toen waren er mesttekorten. De hoeveelheid mest bepaalde hoeveel bouwland een boer in cultuur kon brengen. Bij het mestmaken speelde de heide een centrale rol omdat de boeren daar plaggen en strooisel voor hun potstallen vandaan haalden. Aan de rand van de Peel ontstonden keuterontginningen die zorgden voor zeer kleinschalige landschappen met veel hagen (het prikkeldraad was nog niet uitgevonden) en kleine boerderijtjes. Voor ontginningen op grote schaal ontbraken de technieken en de organisatorische kaders.

Heidemij

Dat veranderde na 1880 toen "moderne' instellingen als de (liberale) Noordbrabantsche Maatschappij van Landbouw (1881) en de (katholieke) Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond (1896) ontstonden. Zij organiseerden de boeren en stimuleerden de modernisering van de landbouw door cursussen, gezamenlijke aankoop van veevoer (raapkoeken) en kunstmest (guano, chilisalpeter) en de gezamenlijke verwerking van melk tot boter. Een zeer simpele technologische innovatie die voor de modernisering van de landbouw op de zandgronden volgens Thissen van nauwelijks te overschatten belang was, was de met de hand aangedreven melkcentrifuge. Die leidde tot boterfabriekjes in de verspreid liggende gehuchten. Later zorgde de stoomcentrifuge tot een concentratie van de boterproduktie op dorpsniveau.

Door de aanvoer van kunstmest boette de heide sterk aan betekenis in; voor het mestmaken was de heide niet meer nodig. Alleen voor de imkerij, het hoeden van schapen en de brandstofvoorziening (turf) had de heide nog betekenis.

In 1888 werd de Heidemaatschappij opgericht, die nieuwe ontginningstechnieken als diepploegen, drainage en bemesting introduceerde. In 1890 begon de Heidemij met grootschalige heidebebossingen in het hart van de Peel. Eerdere pogingen waren mislukt, maar met de kennis van de Heidemij lukte het wel. De bebossingen vonden plaats op de landgoederen van rijke industriëlen en kooplieden die er hun elders vergaarde kapitaal in belegden. De Heidemij wist vele kapitaalbezitters uit het westen van het land voor investeringen in de Peel te interesseren. Arbeidskrachten wierf de Heidemij in de omliggende dorpen.

Na 1900 begon de Heidemij ook met het omzetten van heide in landbouwgrond en ontstonden er grote boerenhoeves die aangewezen waren op ingehuurde arbeid. Daarnaast ontstonden er enkele grote gezinsbedrijven van melkveehouders uit het westen van het land.

Op de landgoedontginningen onstond een zeer grootschalig landschap met bos en landbouwgrond, lange bomenrijen en grote verspreid liggende boerderijen.

Hollandse indringer

De katholieke Boerenbond keek met veel argwaan naar deze protestantse ontginningen. De Heidemij werd gezien als een Hollandse indringer die voor protestantse grootgrondbezitters grond wegkaapte voor de neuzen van Brabantse boeren. De Boerenbond die gedomineerd werd door oprichter pater Gerlacus van den Elsen (de "boerenapostel'), had de liberale Maatschappij van Landbouw weggedrukt en een monopoliepositie verworven. Begin deze eeuw was er een ware boerenbondscultuur ontstaan die het hele plattelandsleven doordrenkte. Van den Elsen wilde de boeren enerzijds vooruit helpen door scholing, aan- en verkoopcoöperaties en boerenleenbanken, maar streefde anderzijds ook naar godsdienstig-zedelijke verheffing. In de modernisering zagen hij en de andere voormannen van de Boerenbond allerlei zedelijke gevaren. Contacten met de buitenwereld juichten zij niet toe omdat ze de traditionele waarden aantastten. Het Brabantse landschap zagen zij als drager van die waarden. Zij streefden niet alleen naar een katholieke maatschappelijke ordening, maar ook naar een katholieke landschappelijke ordening.

Kleine landschapselementen als hagen, houtwallen, boomsingels en bosjes wilde Van den Elsen behouden. De sloop ervan - die in die tijd al was ingezet - zou volgens hem leiden tot een materialistisch landschap en een ontgeestelijkt platteland. Van den Elsen wilde een hechte band tussen de boer en zijn land; boeren moesten zich thuisvoelen in hun landschap, zodat ze niet hoefden te vertrekken naar de stad. Later keerde hij zich tegen de eerste ruilverkavelingen, die Brabantse boeren een ontheemd gevoel zouden geven. Ze zouden alle bekoorlijkheid van het platteland wegnemen. "Waar men alleen aan den grond hecht, zoolang die een bron is van winst, daar is geen vaderlandsliefde meer', schreef hij. "Als we de natuurlijke veldwachters en tuinpolitie, vooral de nuttige en bekoorlijke zangvogels, geen verblijfplaats meer gunnen, zal de strijd tegen schadelijke insecten en allerlei roofgespuis zeer moeilijk, ja vergeefs zijn.' Van den Elsen verzette zich ook tegen de scheiding van bedrijfsgebouwen en woonhuis zoals in Holland; hij wilde woonboerderijen zoals het Brabantse langgevelhuis. Die moesten verspreid over het land liggen. Behalve dat het land dan dichtbij de boerderij lag, zou dat ook tweedracht en diefstal voorkomen. "Gezinnen zouden minder blootgesteld zijn aan den slechten invloed van den wereld; (...) de eenvoud en de goede zeden worden daardoor bewaard en bevorderd.'. Boeren moesten niet alleen onderling gescheiden wonen, maar ook apart van de burgers in het dorp. Door zo'n landschappelijke ordening wilde Van den Elsen een door-en-door katholieke, gezagsgetrouwe, traditionele boerenstand creëren. Materiële verheffing was niets waard zonder zedelijke verheffing, verkondigde hij keer op keer. "Wil men goede zeden en gewoonten bewaren dan moet men de inwoners vasthechten aan huis en erf, aan nabuurschap en omgeving, aan kerk en gemeente.'

De regionalistische beweging Brabantia Nostra deed daar nog een schepje bovenop. Deze beweging keerde zich tegen de "kale weiwoestijnen en platte akkervlakten' en "hollandsgeoriënteerde landschapsvernielende adviezen' van de Heidemij die de mystieke band tussen de Brabantse mens en zijn grond aantastte.

Katholiek vaarwater

Toen de landgoedontginningen niet langer winstgevend waren, de ontginningen dreigden stil te vallen en de ideeën van de katholieke Boerenbond vaste voet gekregen hadden in de politiek, kwam de ontginning in Brabants-katholiek vaarwater terecht. In de jaren twintig kwamen er subsidieregelingen die jonge, kinderrijke boerengezinnen van Brabantse en katholieke afkomst bevoordeelden. Grootgrondbezitters en "andersdenkenden' werden geweerd. De nadruk kwam te liggen op het scheppen van katholieke gemeenschappen, waar een landschap van kleine en middelgrote gezinsbedrijven bij hoorde. Zo ontstonden de planmatige boerenontginningen in bijvoorbeeld Venhorst.

De eerder ontstane protestantse ontginningslandgoederen vielen uiteen en werden opgedeeld onder boeren uit de streek. Zo ontstond Elsendorp, genoemd naar pater Van den Elsen. Onder aanvoering van de pastoor werd de kleine protestantse gemeenschap daar gemarginaliseerd.

Aldus ontstonden er in korte tijd in de Peel geheel verschillende ontginningslandschappen. Veel van deze verschillen zijn sinds de jaren zestig verdwenen door de ruilverkavelingen en de opkomst van de bio-industrie. In de tijd dat het Tweede Vaticaans Concilie de ramen en deuren van de Kerk open zette, werd ook het gesloten Brabantse landschap rigoureus opengegooid. Bij boerderijen, op weg waarheen je vroeger verdwaalde, kon je ineens op het erf kijken. Als puber opgroeiend in een kleinschalige keuterontginning in Boekel vond ik dat destijds een verademing, nu kijk ik erop terug als op een "verwoest arcadië'.

De Boerenbond speelde bij de ruilverkavelingen en de bio-industrie een leidende rol. Oprichter Van den Elsen zou zich in zijn graf omkeren. De hechte band tussen de Brabantse boer en zijn landschap bleek niet meer te zijn dan een holle ideologie die de clerus en de katholieke elite gebruikten om de boeren voor hun karretje te spannen.