Stromenland

In W&O van 25 februari j.l. besprak Warna Oosterbaan de ontwikkeling van de kansenongelijkheid in het onderwijs. Conclusies getrokken in het Sociaal en Cultureel Rapport 1992 (SCR 92) werden daarbij geplaatst tegenover resultaten van mobiliteitsonderzoek verricht door Ganzeboom, De Graaf c.s. De teneur was dat het SCP het "nieuws' van dat onderzoek in het SCR 92 had moeten melden.

In een voorafgaand gesprek met Oosterbaan heeft ondergetekende de vraagstelling in het SCR 92 en de keuze van de gegevensbronnen toegelicht. De weergave daarvan in slechts een enkel geciteerd zinnetje is niet erg evenwichtig. Daarom wijs ik er nog eens op dat de vraag aan de orde was welke verschuivingen zich hebben voorgedaan in de relatie tussen het milieu van herkomst, het prestatieniveau en de schoolkeuze. Het mobiliteitsonderzoek bevat niet al deze gegevens, de in het SCR geciteerde schoolloopbaanonderzoeken wel.

Deze bestrijken inmiddels 25 jaar (1964-1989) en het blijkt dat de samenhang tussen het milieu van herkomst en de schoolkeuze in het voortgezet onderwijs steeds meer verloopt via het prestatieniveau van de leerling. Doordat de leerlingprestaties nog steeds sterk samenhangen met het milieu van herkomst, is de samenhang tussen het milieu van herkomst en de schoolkeuze als zodanig nog weinig verminderd. Oosterbaan maakt de bewering dat op de cijfers waaruit dit blijkt het nodige valt af te dingen, niet waar.

Een belangrijk pluspunt van het schoolloopbaanonderzoek is, dat het een tamelijk actueel en daarmee ook beleidsrelevant beeld biedt van selectieprocessen in het onderwijs. Reeds begin jaren 90 is er zich op de milieu-specifieke schoolkeuze van de generatie die pas rond het jaar 2003 zal zijn uitgestudeerd. Het onderzoek van Ganzeboom c.s. is anders van aard (mobiliteitsonderzoek) en moet noodgedwongen de meest recente, nog schoolgaande generaties buiten beschouwing laten; het jongste in hun analyses betrokken cohort begon rond 1970 aan het voortgezet onderwijs. Uitspraken over "de afgelopen 30 jaar' of de term "het nieuws' moeten in dit perspectief gezien worden. Omdat het mobiliteitsonderzoek bovendien teruggaat tot het begin van de eeuw, is de overlap in de tijd tussen het schoolloopbaanonderzoek en het mobiliteitsonderzoek nogal gering. De zwaar aangezette tegenstelling tussen beide benaderingen, die Oosterbaan in zijn artikel schetst, is daarom overtrokken.

Natuurlijk is het bereikte eindniveau een belangrijk gegeven en het is uitermate interessant om te zijner tijd vast te stellen of de conclusies die nu uit de vier schoolloopbaanonderzoeken zijn getrokken, zullen standhouden. Dan zal ook blijken in welke mate de aanvankelijke ongelijke schoolkeuze substantieel wordt rechtgetrokken in een latere fase van de loopbaan. Kijkt men naar het loopbaanonderzoek bij de generatie die in 1977 startte in het voortgezet onderwijs, dan zijn de tekenen helaas niet zo gunstig. Twaalf jaar later, in 1989, is de helft van de arbeiderskinderen niet verder gekomen dan een LBO-diploma. Bij kinderen uit het milieu "hogere beroepen' was dat maar voor 13% het geval. Bij het bezit van een hoger onderwijsdiploma is het beeld omgekeerd: arbeiderskinderen 4%, kinderen uit het milieu "hogere beroepen' 14%, terwijl de laatsten ook nog vaak (12%) bezig zijn de (hoge) opleiding af te maken. Dit is geen uitputtende analyse, maar wel een indicatie dat de in het SCR 92 opgenomen cijfers over de eerste schoolkeuze geen snel te achterhalen beeld schetsen.

Pas als rond het jaar 2003 het meest recente cohort is uitgestudeerd, zijn vergelijkende analyses van het bereikte eindniveau op basis van alle vier de loopbaanonderzoeken mogelijk. Vanuit het oogpunt van actualiteit en beleidsrelevantie, overwegingen die voor een SCR zwaar wegen, is het echter te veel gevraagd om tot die tijd te wachten met uitspraken over het onderwijs van nu.