"Sociale partners vrezen Europese CAO's'

ROTTERDAM, 11 MAART. Na het met veel instemming begroete SER-advies over de "overlegeconomie' is het zonneklaar, zegt de sociaal-econoom prof.dr. W. van Voorden: Iedereen heeft de mond vol over internationalisering en europeanisering, maar in de arbeidsverhoudingen blijft voorlopig het nationale element de boventoon voeren. Dus geen Europese CAO's, Euro-ondernemingsraden en wat dies meer zij.

De Sociaal-Economische Raad adviseerde in november unaniem over de aanpassing van de Nederlandse economie aan de Europese maat. Tegelijkertijd brak de raad een lans voor modernisering van de overlegeconomie, die vooral vanuit "Den Haag' onder vuur was genomen omdat ze te traag zou zijn en het politieke primaat zou uithollen.

“Wat mij het meest opvalt is dat de sociale partners de Europese eenwording meer als een bedreiging dan als een uitdaging voor de Nederlandse arbeidsverhoudingen zien”, aldus Van Voorden, hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de Erasmus Universiteit Rotterdam en de Katholieke Universiteit Tilburg. “In feite gaat het om de aanpassing van het Nederlandse beleid aan de veranderende maatschappelijke context, die neo-liberaler wordt.”

Hij zat er als onafhankelijk lid van de commissie die het SER-advies over "convergentie en overlegeconomie' voorbereidde met zijn neus bovenop. En hij zag de consensus-vorming in actie. “Allemaal waren we het erover eens dat het landelijke institutionele kader aan betekenis inboet, enerzijds doordat functies naar Brussel verschuiven, en anderzijds doordat over arbeidsvoorwaarden steeds meer wordt beslist op het niveau van de bedrijfstakken en bedrijven. Je zou zeggen, dat is een uitgelezen kans om zaken te doen op Europees of Euregionaal niveau. Maar nee hoor, die stap wordt door niemand gezet. Zeker, het overleg moet beter, sneller en minder stroperig. Maar er is een duidelijke preferentie voor het nationale kader. Men wil proberen de verschuiving naar Europees niveau zó te regelen, dat het voor de Nederlandse economie en de Nederlandse arbeidsverhoudingen het beste uitpakt. Daar spreekt een sterke aandrang tot een nationaal compromis uit.”

Onmiskenbaar zijn, aldus Van Voorden, de aarzelingen aan werkgeverszijde het grootst. Maar toch kiezen ook zij voor “revitalisering” van de Nederlandse overlegeconomie. De verklaring is volgens hem simpel. “De vakbeweging heeft gebogen: zij stemde in met minder koppeling, een meer marktconforme inkomensverdeling en verlichting van de collectieve lastendruk. Dat is alles bij elkaar nogal wat. En de werkgevers committeerden zich aan het streven naar vergroting van de arbeidsparticipatie. Zo onstond een soort afruil, die voor beide partijen voldoende opleverde om door te gaan.”

Het SER-advies zelf was volgens Van Voorden de lakmoesproef voor de overlegeconomie. Hoe het verder gaat, moet blijken. De Nederlandse Vereniging voor het onderzoek van Arbeidsverhoudingen (NVA), waarvan hij voorzitter is, wijdt er op 24 maart haar jubileumcongres aan. Ze hebben allemaal hun medewerking toegezegd, van werkgeverszvoorzitter Rinnooy Kan tot werknemersvoorzitter Stekelenburg, van SER-voorzitter Quené tot minister De Vries van sociale zaken en werkgelegenheid.

De bereikte overeenstemming over de sociaal-economische "beleidsoriëntaties' noemt Van Voorden een noodzakelijke, maar niet voldoende voorwaarde voor een goed-draaiende overlegeconomie. Beslissend is ook de mate waarin de betrokken organisaties een betrouwbare afspiegeling zijn van hun veronderstelde achterbannen. De vakbeweging mag daarbij graag de aandacht afleiden door te wijzen op het ontbreken in de SER van vertegenwoordigers uit belangrijke sectoren (overheid, gezondheidszorg) aan werkgeverszijde. Maar dat is vooral een kwestie van zetelverdeling, zegt Van Voorden, want over het algemeen is de belangenbehartiging aan werkgeverszijde behoorlijk goed georganiseerd.

Een grotere bedreiging vormt volgens hem de organisatiegraad onder werknemers. Niet in de grafische industrie, de bouw of de collectieve sector, maar wel in de industrie en de zakelijke dienstverlening, waar gemiddeld minder dan een op de vijf werknemers lid is van een vakbond. “Je kunt als minister CAO's wel van kracht verklaren voor hele bedrijfstakken, maar als ze worden afgesloten door organisaties met nauwelijks leden, dan wordt het een anachronisme.”

Het is hem een raadsel dat de vakbeweging geen beleid uitstippelt dat leden nadrukkelijk bevoordeelt. “De tijd dat men lid wordt van een vakbond uit gewoonte, om redenen van solidariteit of ideologische motieven is voorbij.” Kijkend naar de druk waaronder bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid staan, vraagt hij zich af: “Waarom stapt de vakbeweging daar niet in?”

Traditioneel onderscheidt de overlegeconomie zich hier te lande door een geprononceerde rol van de overheid. Aanvankelijk, tot 1963, met een breed ondersteunde geleide loonpolitiek, en vervolgens met wettelijke instrumenten. Maar daarvan is volgens Van Voorden weinig meer over. Ingrijpen in de lonen is ondertussen aan zulke stringente voorwaarden verbonden, dat het vrijwel onmogelijk is geworden. De wet, waarmee de overheid de financiële ruimte voor het arbeidsvoorwaardenbeleid in de gezondheidszorg kan manipuleren, loopt op haar eind. Het arbeidsvoorwaardenoverleg in de collectieve sector wordt overgeheveld naar een achttal ambtelijke sectoren en conformeert zich meer en meer aan het marktmodel. En het algemeen verbindend-verklaren van CAO's (waarmee de minister van sociale zaken CAO-afspraken oplegt aan alle bedrijven in een bepaalde sector) is volgens Van Voorden ongeschikt om loonmatiging af te dwingen. “Minister De Vries dreigt wel regelmatig dat hij het AVV-instrument kritischer zal hanteren, maar dat heeft materieel niets om het lijf.”

Van Voorden: “Per saldo heeft de overheid in de arbeidsverhoudingen weinig stuurmiddelen meer over. Ze is een zeer bescheiden factor geworden, die het nu vooral moet hebben van prikkels en lokmiddelen. Daarmee trekt ze een zware wissel op de verantwoordelijkheid van de vakbeweging en het weerstandsvermogen van de werkgevers.”