Oog voor oude meesters onder het vuil

Aan het Vrijthof in Maastricht is de kunsthandel Robert Noortman gevestigd. In de expositieruimte op de eerste verdieping staat - zonder lijst - een schilderij van een hofje in Delft van schilder Pieter de Hooch. Robert Noortman kocht het onlangs voor twaalf miljoen gulden op een veiling in Londen. Hij is een van de honderdzestig deelnemers aan The European Fine Art Fair (TEFAF), de internationale kunst- en antiekbeurs die morgen in Maastricht wordt geopend.

De Pieter de Hooch zal er niet te zien zijn. Die houdt Noortman liever in eigen huis, waar genteresseerden hem op afspraak of tijdens een door hem georganiseerde ontvangst kunnen bewonderen. De 47-jarige kunsthandelaar - spijkerbroek, forse sigaar - begon vijfentwintig jaar geleden klein, met een handel in oude tapijten in Heerlen waar hij af en toe ook een tekening of een schilderijtje verkocht. Nu is hij gespecialiseerd in Hollandse en Vlaamse meesters uit de Gouden Eeuw, en Franse impressionisten en post-impressionisten. “Ik heb in de jaren zeventig mijn opleiding gehad van de Amsterdamse restaurateur Pieter de Dood, die me door beschadigingen en vuil heen heeft leren kijken en me op het goede spoor heeft gezet van de oude meesters. In 1974 heb ik een winkel in Londen overgenomen in Old Bond Street, daarna is het in een versneld tempo gegaan”.

Inmiddels zijn doeken met namen als Rembrandt, Van Gogh, Van Ruisdael, Hobbema, Jan Steen, maar ook Monet, Degas, Sisley en Renoir in Londen en Maastricht over de drempel gedragen, en heeft Noortman het boerderijtje in Hulsberg, waarvan de stallen tot galerie waren verbouwd, ingeruild voor een kasteeltje in België. Op de TEFAF staat de Maastrichtse kunsthandelaar met zo'n vijftig schilderijen, waaronder een Jan Brueghel, een Jan van Goyen, en een Hobbema. Noortman: “De TEFAF is de belangrijkste beurs ter wereld, zeker op het gebied van schilderijen. Qua sfeer is hij niet te vergelijken met de Biënnale in Parijs, maar de kwaliteit is hier beduidend hoger.”

“Zo'n beurs is er ook voor de contacten,” vervolgt hij. Maatschappijen of particulieren die iets willen kopen, komen meestal pas later onderhandelen over betalingstermijnen en -voorwaarden. Museumdirecteuren moeten overleggen met de staf, de restaurateur moet het doek bekijken en commissies moeten erover oordelen.”

Noortmans klantenkring bestaat uit particuliere verzamelaars en musea over de hele wereld. “Je leert op den duur de lacunes in de collecties van de musea kennen. Met een Pieter de Hooch moet ik niet naar de National Gallery in Londen gaan, daar hebben ze al een paar prachtige De Hoochs. Maar het Getty Museum in Californie en het Metropolitan Museum of Art in New York hebben dat niet. Daar brengen we zo'n schilderij dan onder de aandacht.”

De particuliere verzamelaars zijn meestal wel bemiddeld, maar het zijn zeker niet alleen de rijke industriëlen die verzamelen, aldus Noortman. “Sommige mensen kopen alleen een mooi stilleven, als decoratie voor de eetkamer. Er zijn jonge verzamelaars die in plaats van een auto of een huis te kopen hun laatste cent in kunst steken. Overigens zijn niet alle prijzen exorbitant hoog. We hebben ook dingen van twee tot drieduizend gulden.”

Steeds vaker kopen ook grote ondernemingen en institutionele beleggers bij Noortman. “Ik ben er voor dat een groot pensioenfonds als ABP een belangrijk kunstwerk koopt, en dat langdurig in bruikleen geeft aan een museum. Het Rijksmuseum heeft laatst Rembrandts portret van Johannes Uyttenbogaert kunnen kopen, maar als zich weer zo'n kans voordoet, is daar geen geld meer voor. Dan vindt ik dat bijvoorbeeld een pensioenfonds een sociale functie kan vervullen door zo'n aankoop mogelijk te maken”.

Noortman koopt via veilingen, maar krijgt ook schilderijen aangeboden. “We hebben goede connecties met notarissen in het buitenland, die zich bijvoorbeeld bezig houden met boedelscheidingen. Kostbare aankopen, een Rubens bijvoorbeeld, doen we vaak samen met twee of drie handelaren. Ieder neemt zijn eigen expert mee, zodat je uiteindelijk met zes ogen koopt. Dat geldt ook voor bekende schilderijen. Je ziet aan het Rembrandt Research Project hoe door nader onderzoek inzichten kunnen veranderen.”

De kunsthandelaar drijft de zaak samen met zijn vrouw, die verkeersvlieger is. Binnen Europa verplaatsen ze zich met hun privé Citation-jet, die tegelijkertijd dienst doet voor het vervoer van schilderijen. “Ik ben gek op vliegen, maar het is ook handig voor het transport. Vervoer over de weg, in containers, is vaak kostbaar en minder veilig.” De kunsthandelaar verzamelt zelf ook. Tekeningen en andere kunstvoorwerpen, maar geen schilderijen: “Ik wil geen concurrent van mijn klanten zijn”.