LEEDVERMAAK

Wat heb ik gelachen zeg om De lach van het leedvermaak van Max Pam (NRC Handelsblad, 5 maart). Vooral toen ik de door Pam aangehaalde passage las van Reve die het huis van mijn vader (Theun de Vries) wel had willen bombarderen. Dat Reve dergelijke fantasieën heeft, is zijn goed recht, dat Pam daarmee koketteert niet.

Als Reve's fantasie werkelijkheid zou zijn geworden, zou een onschuldige familie het slachtoffer zijn geweest. Mijn vader woont namelijk helemaal niet op de Egelantiersgracht nr. 36 en Jan Willem Hofstra heeft het tijdelijke al voor het eeuwige verwisseld.

Het gedicht dat mijn vader schreef ter gelegenheid van Stalins dood, is populair bij journalisten, het wordt te pas en te onpas uit de kast gehaald. Wie zich Wim Kayzers onvolprezen serie Nauwgezet en wanhopig herinnert die in 1989 door de VPRO werd uitgezonden, zal zich wellicht ook het adembenemende moment voor de geest kunnen halen waarop Jorge Semprun bijna met het schaamrood op de kaken sprak over zijn gedicht Spaanse Zang bij de Dood van Stalin. Het feit dat je hem zag worstelen met het trauma van zijn communistische verleden, maakte zijn verhaal des te indrukwekkender.

Voor de televisie heeft mijn vader zijn trauma's niet beleden, maar hij heeft via andere media wel luid en duidelijk aangegeven dat hij is teruggekomen van eerder gemaakte keuzes en dat hij bepaalde mensen onheus heeft bejegend.

Zo schetst Hans van de Waarsenburg in zijn in 1984 verschenen Voetsporen door de tijd. Theun de Vries. Portret van een kunstenaar, niet alleen een beeld van mijn vaders veranderde houding jegens het communisme, maar tekent hij op p.128 ook het volgende uit diens mond op: “Nog recentelijk heb ik (in mijn gesprekken met Jan Boelens) toegegeven aan zo'n opwelling van kwaadaardigheid, toen ik mij scherp uitliet over het oorlogsverleden van Gerard Vanter ofwel G.J. van het Reve, vader van de broeders Gerard en Karel. Ik denk nu dat het meer mijn animositeit tegen de zonen is, dat ik de vader heb belast met een beschuldiging, waarvan insiders mij sindsdien de onrechtmatigheid hebben aangetoond”.