Knoei & Jatwerk

Een van de ernstigste vormen van wetenschappelijk bedrog is zelfbedrog. Het lijkt onschuldig, maar het vormt een veel grotere bedreiging dan de evidente gevallen van fraude.

Zo'n twee jaar geleden had men de volgende berichten in de krant tegen kunnen komen. Het eerste bericht uit De Volkskrant luidde: ""Medisch onderzoeker als proefkonijn'' en toonde een foto van de Franse onderzoeker Daniel Zagury, die zichzelf bij wijze van experiment inspoot met een mogelijk vaccin tegen AIDS. Het tweede bericht stond in De Telegraaf en luidde: ""Artsen doen vaak testen op zichzelf'', waarbij werd vermeld dat een medicus, in het kader van een experiment, een potlood geheel in zijn neus had gestoken.

Het eerste bericht klinkt geloofwaardig, het tweede niet. Kennelijk is men niet geneigd alles te geloven wat men hoort of ziet.

Een bericht, dat moeilijk met het beeld van artsen valt te rijmen, stond op 10 augustus 1990 in Het Parool. Hierin werd vermeld dat een 29-jarige AIDS-patiënt zou zijn genezen na een beenmergtransplantatie in een ziekenhuis op Sardinië. Evenmin geloven artsen dat AIDS door de CIA in een laboratorium is uitgevonden als wapen tegen de communisten, ondanks de grote hoeveelheid bewijsmateriaal die hiertoe in de pers is aangedragen.

In de wetenschap komen allerlei vormen van bedrog voor. De belangrijkste vorm is niet het opzettelijke bedrog, maar zelfbedrog. Het is een ogenschijnlijke onschuldige vorm van bedrog omdat men het zichzelf niet bewust is, maar het vormt een veel grotere bedreiging voor de voortgang van de wetenschap dan de evidente gevallen van fraude.

Een mooi voorbeeld geven de journalisten Maarten Evenblij en Hans van Maanen in hun boeken De wereld op z'n kop en Het kerkhof der wetenschap. Hierin verhalen zij hoe een Russische waarneming uit de jaren veertig twee decennia later werd herontdekt. Nikolai Fedjakin, een Russische natuurkundige, beschreef in 1961 dat in haardunne buisjes met water een speciale vorm van gepolymeriseerd water ontstond. Men noemde dit polywater. Evenals polyetheen of polyester zouden ook de watermoleculen zich onder speciale omstandigheden als een kralensnoer aaneenrijgen. Het kookpunt van dit polywater lag bij 250 graden Celsius en het vriespunt bij min 30 graden. Meer dan 400 onderzoeksteams, verspreid over de wereld, hielden zich in de jaren zestig bezig met onderzoek naar polywater en er werden verschillende eigenschappen beschreven, maar het bleef onmogelijk om het in grote hoeveelheden te produceren. Uiteindelijk bleek de wetenschappelijke gemeenschap zich vooral beziggehouden te hebben met het bestuderen van een artefact.

Confusie

Een soortgelijke affaire lijkt zich de afgelopen jaren te hebben voorgedaan bij het zoeken naar koude kernfusie, waar de scheikundigen Martin Fleischman en Stanley Pons de aanzet toe gaven. Zij beweerden op 23 maart 1989 tijdens een persconferentie een kernfusie tot stand te hebben gebracht met zwaar water. Waar kernfysici al jaren lang met veel geld werkten aan hete fusie, hadden twee chemici dat voor elkaar gebokst met een bakje koud water. Na veel confusie had de wetenschappelijke wereld ook hierin twee jaar later geen vertrouwen meer. Geen opzettelijk bedrog, maar zelfbedrog, dat zo ver was gegaan dat de ontdekkers zelfs de rechter hadden ingeschakeld om hun critici de mond te snoeren.

Ook in Nederland zijn voorbeelden te vinden van wetenschappelijk zelfbedrog. De Eindhovense hoogleraar organische chemie, Henk Buck, maakte in april 1990 op een persconferentie bekend, dat hij een nieuwe strategie had ontwikkeld om het AIDS-virus te blokkeren met behulp van gemodificeerd DNA. Een dag later werden zijn bevindingen gepubliceerd in het Amerikaanse tijdschrift Science. De publicitaire storm die Buck in zijn enthousiasme ontketende kwam in eerste instantie uit eigen hoek. Mede-hoogleraar Stan van Boeckel, verbonden aan dezelfde vakgroep, deelde mee dat de produktiemethode van Buck een rommeltje was. Aangezien op de achtergrond een strijd om octrooien tussen beide onderzoekers werd vermoed, werden Van Boeckels beschuldigingen minder serieus genomen.

Maar het bleef niet bij Van Boeckel. Ook andere onderzoekers uit de vakgroep, onder wie een derde hoogleraar, Emmo Meijer, ventileerden hun wantrouwen over de "methode Buck' en enkelen trokken hun conclusies door op te stappen. Het gevolg was dat een onderzoekscommissie werd ingesteld die tot de conclusie kwam dat Bucks resultaten onbewezen en voorbarig waren geweest. De commissie was van oordeel dat Buck zich te zeer had laten meeslepen door de stroomversnelling, waarin het onderzoek was geraakt. Doordat het virologisch onderzoek met Bucks materiaal succesvol was geweest en doordat de redactie van het blad Science het ingezonden artikel accepteerde voor publikatie was een sfeer geschapen waarin hij niet meer openstond voor kritiek.

Genegeerd

Hoe is zelfbedrog te verklaren? In de jaren vijftig publiceerde de psycholoog Festinger zijn theorie over de cognitieve-dissonantie-reductie. Volgens deze theorie zijn mensen geneigd alles wat zij zien en horen zodanig te selecteren dat nieuwe informatie steeds een bevestiging vormt van reeds bij hen bestaande opvattingen. Gegevens die niet in overeenstemming zijn met het oordeel dat men reeds had of die hier zelfs mee in strijd zijn, tasten het geloof aan en worden daarom onbewust vervormd of genegeerd.

Een interessante bevinding werd in dit verband gedaan door Van Schaik en anderen. In het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde beschreven zij de resultaten van een enqu^ete onder neurochirurgen en neurologen waarin hen werd gevraagd naar de invloed van een bepaalde wetenschappelijke publikatie op de "praktijk'. Het betrof een artikel over een gerandomiseerd klinisch onderzoek waarin een conservatieve behandeling (chemonucleolyse) werd vergeleken met een operatie bij patiënten met een hernia.

Van de respondenten antwoordde 57% niet door het artikel te zijn benvloed en 43% wel. Zij vonden geen verschillen tussen de antwoorden van neurochirurgen en die van neurologen, noch tussen die van academische en die van perifeer werkzame specialisten. De mening over chemonucleolyse versus herniotomie had geen effect op het al dan niet benvloed worden, maar wel op de richting van de benvloeding: zowel een negatief als een positief oordeel over chemonucleolyse leek door de publikatie versterkt te kunnen worden. Met andere woorden: oordeelde men te voren reeds negatief, dan bestond er een neiging om de resultaten van dit artikel ook als zodanig te interpreteren; had men daarentegen reeds een positief oordeel, dan meenden de meesten in het artikel voldoende steun te vinden om hun opvatting te handhaven of te versterken.

Bord voor zijn kop

De laatste maanden zijn opnieuw interviews met Buck verschenen. In Trouw deelde Buck op 26 september jl. mee: ""Ik weet nog steeds niet wat ik fout heb gedaan.'' Heeft Buck nog altijd een bord voor zijn kop of heeft hij de plank gewoon misgeslagen? Voor Emmo Meijer en Stan van Boeckel, die twee jaar lang de publiciteit hadden gemeden, was dit laatste interview de druppel die hen de echte feiten deed onthullen. Dat deden ze onlangs in Elsevier. Op de vraag van Simon Rozendaal in hoeverre Buck fraude had gepleegd, antwoordden zij: ""Tja, wat noem je precies fraude? Hij heeft bij zijn oorspronkelijke artikel in Science alleen dát gedeelte van het NMR-spectrum getoond dat zijn verhaal ondersteunde. Uit de rest van het spectrum kun je concluderen dat zijn materiaal niet zuiver was. Als je steeds over gemethyleerd DNA praat, terwijl je weet dat er van alles aan mankeert, spreek je niet bepaald de waarheid.''

En met deze uitspraak zitten we dan midden in het overgangsgebied van zelfbedrog en bedrog. Tussen het verkopen van onwaarheden en het niet vertellen van de waarheid ligt een grijs gebied waar fraude met een kleine letter wordt geschreven - in de betekenis van sjoemelen, ritselen, draaien, oppoetsen en wegmasseren van gegevens. Een gebied dat zich goed laat illustreren door een andere casus van vaderlandse bodem, waarin plagiaat centraal stond. Het betreft een casus uit het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. Wat was het geval?

In 1985 hadden enkele Nijmeegse chirurgen in de rubriek "oorspronkelijke stukken' een artikel gepubliceerd waarin zij ruim 50 patiënten hadden beschreven die een maagverdelingsoperatie hadden ondergaan wegens vetzucht. In 1991 beschreven enkele chirurgen uit Veldhoven een soortgelijke patiëntenserie, met een identieke opbouw van het artikel en een identieke figuur.

Tot zover was het plagiaat nog vrij onschuldig, maar het ging veel verder. De openingszinnen van beide artikelen waren woordelijk dezelfde en ook verderop waren er alinea's die vrijwel geheel overeenkwamen. Het meest saillant was dat de tekening van de maag in het oorspronkelijke artikel op z'n kop had gestaan met de dunne darm aan de bovenkant en de slokdarm aan de onderkant en dat dat in het tweede artikel ook was gebeurd.

De redactie van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde volstond met een correctie, waarin de auteurs in de gelegenheid werden gesteld hun spijt te betuigen dat zij het oorspronkelijke artikel niet hadden aangehaald, terwijl ze er wel substantieel gebruik van hadden gemaakt. Het woord plagiaat werd zorgvuldig vermeden. In hoeverre was daar sprake van?

Ergens substantieel gebruik van maken zonder de bron te vermelden, heet plagiaat, tenminste als men de suggestie wekt iets origineels te presenteren. Als de chirurgen uit Veldhoven de openingszinnen hadden herschreven, of als ze het artikel uit 1985 in hun literatuurlijst hadden opgenomen, had waarschijnlijk niemand daar aanstoot aan genomen, zelfs als iemand de gelijkenis was opgevallen. Dan hadden de auteurs in het tweede artikel gewoon bevestigd wat reeds 6 jaar eerder was gevonden. Kennelijk is het grijze gebied net zo grijs als de bril die men op heeft. Toch moet er af en toe een rechter aan te pas komen om het brilleglas te slijpen, zoals in het volgende geval.

Pierre Vinken

De casus belli gaat terug tot 1953, het jaar dat vier Utrechtse studenten, onder wie Pierre Vinken, de huidige topman van het uitgeversconcern Elsevier-Reed, het literaire tijdschrift Parasol oprichtten. In een van de eerste nummers schreef Vinken, onder het pseudoniem E. Reil, een polemische satire op het boek De vrouw van professor Buytendijk. Vinken beschuldigde Buytendijk van plagiaat bij het schrijven van zijn boek en wist zijn beschuldigingen overtuigend te staven met een groot aantal citaten dat blijk gaf van meer dan toevallige overeenkomsten tussen De vrouw van Buytendijk en het Duitse boek Vom Wesen der Geschlechter van Lersch. Mede omdat Vinken zijn pseudoniem nooit heeft prijs gegeven, verdween de hele zaak in de doofpot. En daar zou het zijn gebleven als Vinken 30 jaar later niet zelf de zaak weer aan het rollen had gebracht.

Vinken had inmiddels carrière gemaakt als neurochirurg, bijzonder hoogleraar medische informatieverzamelingen aan de Rijksuniversiteit te Leiden en voorzitter van de Raad van Bestuur van Elsevier. In verband met zijn hoogleraarschap ontving hij in 1981 een uitnodiging voor het houden van een feestrede ter ere van het 125-jarig bestaan van het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde. In deze voordracht, handelend over "onjuiste toeschrijvingen in de wetenschappelijke literatuur' gaf hij verschillende voorbeelden van plagiaat, waaronder dat van Buytendijk. De lezing werd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde gepubliceerd en kwam zodoende ook onder ogen van de zoon van de inmiddels overleden Buytendijk. Buytendijk jr. diende een klacht in wegens smaadschrift bij de rechtbank in Haarlem. Door de uitspraak zou Vinken de goede naam en eer van Buytendijk sr. hebben aangetast.

De rechtbank kwam tot de conclusie dat Vinken had mogen aannemen dat de door hem geuite beschuldiging van plagiaat waar was en dat het algemeen wetenschappelijk belang vergde dat hij deze beschuldigingen publiceerde. Op grond hiervan werd hij vrijgesproken. Echt opgelucht was hij pas toen het door de Officier van Justitie te Haarlem aangetekende hoger beroep bij het Hof te Amsterdam niet ontvankelijk werd verklaard.

Zeer hoge functie

Vinken is één van de weinige whistle blowers, wiens carrière geen schade heeft ondervonden van zijn daad. Niet zo verwonderlijk als men bedenkt dat hij zich aanvankelijk achter een pseudoniem verschool en dat hij 30 jaar later toen hij zich blootgaf inmiddels een zeer hoge functie bekleedde. Op dat moment was het voor hem niet moeilijk in eigen kennissenkring negen deskundigen te vinden, van wie acht hoogleraar, die allen verklaarden dat Buytendijk plagiaat had gepleegd.

In de Buck-affaire bracht Van Boeckel de zaak aan het rollen door twee weken vóór de persconferentie, waarop Buck zijn ontdekkingen wereldkundig zou maken, een brief te schrijven aan het college van bestuur van de Technische Hogeschool in Eindhoven waarin hij meedeelde dat het materiaal van Buck onzuiver was. Direkt na de persconferentie heeft Van Boeckel de voorzitter van het college voor de keuze gesteld: ofwel van het frauduleuze onderzoek afstand te nemen, ofwel zijn ontslag te aanvaarden. De voorzitter koos voor het ontslag van Van Boeckel. En nu, twee jaar later, is Van Boeckel nog steeds niet teruggevraagd als hoogleraar in Eindhoven.

Veel bekender is de whistle blower van de Watergate-affaire, de nachtwaker Frank Wills, die in de nacht van 17 juni 1972 de inbrekers betrapte waarmee dit schandaal in gang werd gezet. Van alle hierbij betrokken kopstukken rolden de koppen. Sommigen kwamen zelfs in de gevangenis terecht. Twaalf jaar later bleek echter dat zij allen weer een belangrijke functie hadden en er beter aan toe waren dan voor het schandaal. De meesten hadden inmiddels boeken geschreven, waarbij hun naamsbekendheid hen zeer van pas was gekomen. Alleen Frank Wills kwam er slecht vanaf. Kort na de inbraak raakte hij zijn baan kwijt en kende hij een lange periode van werkloosheid, die samenhing met de angst voor politieke repercussies bij zijn potentiële werkgevers.

Een andere bekende whistle blower uit de Nederlandse samenleving is professor Smalhout, die ruim 20 jaar geleden met zijn inaugurele rede "De dood op tafel' de gehele medische beroepsgroep tegen zich in het harnas joeg. Onlangs nam hij afscheid van de Universiteit van Utrecht wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Een koninklijke onderscheiding werd hem geweigerd.

Uit Amerikaans onderzoek onder een honderdtal respondenten, die betrokken waren bij de onthulling van schandalen, kwam naar voren dat bijna alle personen die in het bedrijfsleven werkten, uiteindelijk hun baan verloren. Van de ambtenaren moest ruim de helft een andere baan zoeken. Sommigen werden voor de rechtbank gesleept wegens smaad en laster. Kennelijk moet men een hoge prijs betalen om het geweten zuiver te houden.

Maar tussen fraude en fatsoen ligt een overgangsgebied waarin deugdzame handelingen via inventiviteit en sluwheid geleidelijk overgaan in kwalijke praktijken zoals omkoperij en zwendel. Dat geldt voor vrijwel elke samenleving en alle beroepsgroepen en ook voor de wetenschap.

Er zijn talloze voorbeelden van wetenschappers die hun publikaties hebben verfraaid door gegevens weg te laten of toe te voegen. De meest bekende zijn Newton en Mendel. Newton zou de poetsdoek hebben gebruikt om zijn opus magnum Philosophiae naturalis principia mathematica meer te laten glimmen. In een voorbeeld dat Westfall in een boekbespreking geeft, heeft Newton een berekening uitgevoerd die tot op 7 decimalen nauwkeurig was, hetgeen voor die tijd ongehoord was. ""Hoewel de Principia het kwantitatieve patroon van de moderne wetenschap vastlegde'', schreef Westfall, ""werd hiermee evenzeer een minder verheven waarheid gesuggereerd, namelijk dat niemand zo doeltreffend een "aanpassingsfactor' kan hanteren als de meesterwiskundige zelf.''

Ook Mendel, de vader van de moderne genetica, wordt ervan verdacht zijn onderzoeksgegevens te hebben verfraaid. Mendel startte in 1856 zijn kruisingsproeven met erwten en bonen. Hij experimenteerde enkele jaren voordat hij in 1866 de resultaten van zijn proefnemingen publiceerde. Hierin formuleerde hij een aantal getalsmatige regels, die bekend zijn geworden als de wetten van Mendel. Pas in 1900 werd aan zijn experimenten de waarde toegekend die het verdiende, maar enkele decennia later geraakte zijn werk in diskrediet. De statisticus Robert Fisher ontdekte in 1936 dat de resultaten van Mendels kruisingsproeven te mooi waren. Fisher hield het er op dat een assistent de uitkomsten had aangepast aan wat hij werd verondersteld te zien. In dat geval zou Mendel niet de bedrieger, maar de bedrogene zijn geweest.

Anderen waren minder mild in hun oordeel over Mendel. Volgens de meest gunstige kritiek zou hij onbewust fouten hebben gemaakt ten gunste van zijn hypothese. Een andere verklaring is dat hij alleen zijn "geslaagde' experimenten heeft gepubliceerd (een vorm van selection bias). Of Mendel bewust of onbewust zijn resultaten wel of niet verfraaide, is achteraf niet te zeggen. De ruwe gegevens van zijn werk zijn helaas niet bewaard gebleven.

Zoals gezegd, loopt er geen scherpe grens tussen verkeerde beoordelingen, die te goeder trouw zijn gemaakt, zelfbedrog, verfraaiing van gegevens en het beschrijven van fenomenen die geheel of gedeeltelijk zijn verzonnen of gejat van anderen. En voorzover die lijn er wel is, moet men die voor zichzelf trekken.