"Je kunt niet op elk bericht reageren'

Het is ondenkbaar dat Nederlandse kranten ooit zoveel pennen in beweging zullen brengen als de kranten aan de overzijde van de Noordzee. Groot-Brittannië is van oorsprong het land waar "heel het volk' brieven schrijft naar de krant (Letters to the Editor). De Londense Times bijvoorbeeld kreeg eind jaren tachtig - bij een oplage van circa vierhonderdtachtigduizend exemplaren per dag - dagelijks gemiddeld driehonderd brieven van lezers, in verkiezingstijd wel vijfhonderd.

De brievenrubrieken van de Britse dagbladen, in het bijzonder die in de kwaliteitskranten The Times, The Guardian, The Independent en The Daily Telegraph, dienen als een extra spreekbuis voor de leden van het Lagerhuis en het Hogerhuis, die in sommige kranten meer dan tien procent van het totale aantal ingezonden brieven in beslag nemen. Vele Lagerhuisleden grijpen in de brievenrubrieken van de kranten de kans om verklaringen af te leggen waarvoor zij in het Lagerhuis soms de spreektijd niet krijgen. Hoewel de brievenrubrieken daardoor nogal eens politiek gekleurd zijn, wordt dat nadeel vaak gecompenseerd door een hoge mate van levendigheid.

Ongeveer acht jaar geleden werd het aantal opiniepagina's van NRC Handelsblad uitgebreid en kreeg de brievenrubriek een vaste plaats in de krant. Tot dan toe werden de brieven her en der op de opiniepagina afgedrukt, meestal ter opvulling van overgebleven ruimte. Aan het einde van de jaren zeventig ontving de redactie enkele tientallen brieven per week, aan het einde van de jaren tachtig waren dat enige honderden. Die toename werd door de redactie enerzijds toegejuicht, anderzijds betekende het een verveelvoudiging van de hoeveelheid werk. Behalve de extra tijd die moest worden besteed aan de beoordeling van de brieven, betekende het eveneens een grote hoeveelheid administratieve rompslomp, omdat tot die tijd auteurs van artikelen èn van brieven schriftelijk van een afwijzing op de hoogte werden gebracht. De standaardformulering die was gekozen wegens de "rekbaarheid' van de selectiecriteria lokte bij de inzender niet zelden een telefoontje of een nieuwe brief uit waarin werd verzocht om nadere uitleg. Uit zelfbehoud besloot de redactie van de opiniepagina enkele jaren geleden tot de onsympathieke maatregel de beantwoording van ingezonden brieven te staken. In het kadertje van de Algemene Voorwaarden voor de brievenrubriek wordt vermeld: “Over het al dan niet publiceren van ingezonden brieven wordt niet gecorrespondeerd”. Niet elke lezer had begrip voor deze maatregel en vooral briefschrijvers die gewend waren op de hoogte te worden gebracht kritiseerden het nieuwe beleid met de mededeling dat "vroeger zoiets niet zou zijn voorgekomen'. Dat dit laatste niet geheel strookt met de werkelijkheid blijkt uit een mededeling in het Algemeen Handelsblad van 1833, onder het kopje "Correspondentie': “De geëerde Inzender van het stukje over de Hoogduitsche Opera, kan hetzelve, als niet geplaatst wordende, aan het Bureau dezer Courant terug bekomen”.

Dr. Henriëtte Boas, oud-lerares klassieke talen, en correspondente van het (in de Eerste Wereldoorlog in Den Haag opgerichte) Jewish Telegraphic Agency te New York, is als geen ander vertrouwd met de geclausuleerde gastvrijheid van de brievenrubrieken in de Nederlandse dagbladen. Over het onbeantwoord laten van brieven zegt zij: “Als ik eenmaal een brief heb geschreven over een onderwerp dat mij bezighoudt, ben ik het kwijt, dan heb ik ook meestal niet in de gaten of ik een antwoord krijg of niet. In Nederland hebben brievenrubrieken niet zo veel prestige als in de Engelse kranten, waar het brievenschrijven al een zeer oude traditie is. Maar de brieven voegen wel een belangrijk democratisch element toe aan de krant. Ik heb weliswaar niet de illusie dat ik iets heb veranderd aan de publieke opinie over Israel, toch bieden brievenrubrieken mij de gelegenheid tegengestelde meningen te geven. Het dagblad Trouw neemt vrijwel alle ingezonden brieven van mij op, NRC Handelsblad niet. Naar de Volkskrant stuur ik niet vaak ingezonden brieven. Ik wil graag invloed uitoefenen met mijn ingezonden stukken en ik heb de indruk dat het lezerspubliek van de Volkskrant minder ontvankelijk is voor rationele argumenten. Ik lees al zo lang zoveel dagbladen en tijdschriften dat ik inmiddels een brede kennis heb gekregen over onderwerpen die buiten mijn vakgebied of speciale interessesfeer liggen. Maar het schrijven van ingezonden brieven is niet mijn eerste prioriteit. Voor de Jewish Telegraphic Agency maak ik persberichten van belangrijke gebeurtenissen die van joods belang zijn in Nederland en internationaal de moeite waard. Ook schrijf ik historisch getinte stukjes over joodse onderwerpen in het maandblad Hakehilla en heb ik artikelen geschreven in het inmiddels opgeheven joodse vrouwenblad Kolenoe, waarvan er enkele zijn gebundeld in het vorig jaar verschenen "Veertien bewust-joodse vrouwen'.

Overigens reageer ik lang niet op alle kwesties waarop ik zou kunnen reageren. Zoals bijvoorbeeld laatst de bespreking van Bastiaan Bommeljé over het boek "Perceptions of the Ancient Greeks' in het Zaterdags Boekenbijvoegsel (13 februari). Ik had daarop kunnen reageren, maar ben ervan uitgegaan dat anderen dat wel zouden doen. Dat bleek ook wel, want het Bijvoegsel publiceerde daarna een aantal reacties op die boekbespreking. Het is ook niet altijd zinvol ergens op in te gaan. Als mijn zienswijze verschilt van die van een correspondent van de krant - ik vind bijvoorbeeld de tegenwoordige correspondente van Trouw hyperkritisch ten opzichte van Israel - dan kun je wel blijven schrijven''.