IJ VAN COLUMBUS

Aan Jeroen Saris, Wethouder Ruimtelijke Ordening, Amsterdam.

Beste Jeroen,

vannacht droomde ik dat je mij de nieuwe universiteit liet zien aan de IJ-oever achter het Centraal Station. Wij hadden afgesproken in de 1ste Klas restauratie en jij keek mij wat meewarig aan toen ik bij binnenkomst tegen je zei dat je mij zou laten zien hoe de nieuwe universiteit zowel het IJ-oeverproject als jouw wethouderszetel had gered. "Laat mijn carrière er buiten', zei je "en vertel maar eens waarom jij op zo'n grote afstand van de universiteit bent gebleven, terwijl jij je toch graag professor laat noemen.' "Ach', zei ik, "de universiteit is aan zijn eind. Ik was bij de discussie in De Balie en ze hebben gelijk. De universiteit is verbureaucratiseerd. Te veel mensen brengen er hun dagen door tegen een kennelijk aanvaardbare vergoeding, als student, docent of assistent maar vooral als bestuurder. In een te log apparaat gaat wetenschappelijke originaliteit teloor. De hoogleraar is een manager belast met louter bestuurlijke en organisatorische taken. De reclamemaker bepaalt het gezicht van de universiteit. De universiteit is niet meer het geweten van de maatschappij. Wetenschappers spelen geen rol meer in het publieke debat. Zij zijn niet in staat, of vinden het niet de moeite waard, hun stem te laten horen als het ergens over gaat. Vaktijdschriften en specialistische internationale conferenties zijn nog de enige media waarin onderzoekers zich thuis voelen. In de vaderlandse pers komen hoogleraren niet meer aan bod vanwege hun ontdekkingen, maar vanwege hun nevenverdiensten als cursusleider en adviseur. Wetenschap als roeping geldt slechts voor eenzame stakkers. De universitaire opleiding verschilt alleen nog van het HBO omdat de universiteit meer status heeft. Ten onrechte, want de studenten willen helemaal geen wetenschapper maar manager worden en daarop zijn de opleidingen niet ingesteld. De colleges zijn niet de moeite waard. Veel studenten gaan in de massaliteit van het onderwijs verloren. De academische vorming bestaat niet meer, maar niemand ligt daar wakker van zolang de universiteit zich zelf niet serieus neemt.'

Wij liepen onder het Centraal Station door naar de achteruitgang waar alles nog precies hetzelfde was. Links het Havengebouw, Shell Research aan de overkant en de nog steeds heen en weer varende Tolhuispont. Wij gingen naar rechts, langs de tippelaars, terwijl jij vertelde hoe het IJ-oeverproject bijna mislukt was.

Terwijl Amsterdam plannen maakte voor het IJ, bouwden de banken grote torens langs de Amsterdamse ringweg. Toen de stadsontwikkelaars en de gemeenteraad hun fantasieën hadden kunnen botvieren en het op realiseren aankwam, was het Nederlandse bedrijfsleven failliet of verkocht aan het buitenland en zo dreigde het hele project in het water te vallen. Toen kreeg jij het lumineuze idee dat je inmiddels hebt gerealiseerd en nu aan mij zou laten zien.

Wij liepen dus naar rechts langs de IJ-oever en daar op het eiland dat ik alleen kende van "Sail Amsterdam' lag de nieuwe universiteit, via een mooie brug verbonden met de stad. Het was werkelijk een prachtig geheel van straten, pleinen, laboratoria, instituten, sportzalen, eethuizen, bibliotheken, winkels, theaters, cafés, terrassen, bioscopen en studentenhuizen. Hier woonde en werkte maar liefst 10% van de Amsterdamse bevolking. Overal krioelde het van de studenten, buiten op straat of in bootjes op het IJ, een genot om te zien. Op de plaats waar vroeger alleen maar mensen kwamen om zich te vergapen aan grote zeilschepen, waren nu de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit en de Hogeschool Amsterdam samengebracht. Er heerste een geweldige sfeer van alfa's, bèta's en gamma's vlakbij elkaar op een eiland en toch niet geïsoleerd van de maatschappij. Als hier nu eens alle universiteiten een voorbeeld aan zouden nemen.

Sommige mensen hadden de bètafaculteiten willen verhuizen van het Roeterseiland naar het Wetenschappelijk Centrum Watergraafsmeer. Als dat was doorgegaan, dan waren de bètafaculteiten definitief verworden tot opleidingen voor vakidioten. Dan konden studenten net zo goed, of zelfs beter, aan een technische universiteit gaan studeren. Aan de nieuwe universiteit, samen met de alfa's en gamma's, is de sfeer zo goed dat de wetenschappelijke instituten uit de Watergraafsmeer graag verhuisden naar de IJ-oever.

Het Nederlands Kanker Instituut zocht een nieuwe locatie naast het AMC of het VU-ziekenhuis. Toen men zag wat er aan de IJ-oever gebeurde, is men daar naartoe verhuisd. Men begreep dat ook voor medische specialisten een academische opleiding van het grootste belang is en de medische ethiek zich het beste ontwikkelt in een kritische omgeving.

Het muziekcentrum De IJsbreker is verhuisd naar het eiland in het IJ, net als het Amsterdams Conservatorium en de Studio voor Electro-Instrumentele Muziek. De "Jan Timmerconcertzaal' heeft van Amsterdam het internationale centrum voor popmuziek gemaakt.

De Hogeschool Amsterdam was net gefuseerd, maar nog verspreid over de stad en omgeving. Men zag onmiddellijk dat het eiland in het IJ de ideale locatie is. Hier kunnen de expertise en dure apparatuur worden gedeeld en switchen de studenten gemakkelijk van de ene opleiding naar de andere, zonder meteen hun vrienden te verliezen. Vroeger was het zo dat veel HBO - studenten na het behalen van hun propaedeuse overstapten naar de universiteit. Nu is daarvan geen sprake meer. Sterker nog, aan de universiteit ging meer dan de helft van de studenten verloren en haalde nooit enig diploma. Nu stappen ze over op een beroepsopleiding op dezelfde campus. Aldus is het rendement van het hoger onderwijs aanzienlijk verbeterd, niet in de laatste plaats omdat de hoorcolleges zijn afgeschaft. Er wordt vrijwel uitsluitend gestudeerd in een werkomgeving van kleine groepen onder leiding van een groepsleider/docent die meestal ook op de campus woont.

Even heeft men bij de Vrije Universiteit gedacht dat verhuizen niet nodig was. Immers, men had daar toch alle faculteiten vlakbij elkaar op een campus. Toen herinnerden de studenten de bestuurders eraan dat deze campus niet in de stad gelegen was, maar in dat saaie Buitenveldert en hun studentenhuisvesting helemaal in het niemandsland van Uilenstede of Diemen. Inderdaad de universiteit is er niet alleen voor het samen leren en studeren maar ook samen eten, sporten en feesten van alfa's, bèta's en gamma's.

In de Oude Manhuispoort wonen weer bejaarden, het Maagdenhuis is een chic bordeel, op de plaats van het Binnen Gasthuis staat een hotel en het gebouw van de Letterenfaculteit is in handen van een projectontwikkelaar. Alle faculteiten zijn verhuisd naar het eiland in het IJ, niet in een kolossale toren, maar in een fleurige woon- en werkomgeving waarvan jonge architecten een aantrekkelijk geheel hebben gemaakt. De universiteit is weer een centrum van cultuurbeoefening. Niet een mooi neutraal eiland in een boze wereld. Dit is de plaats waar ideologieën ontmaskerd worden en beschavingsprocessen kritisch begeleid door filosofen, psychologen, sociologen en economen die niet langer bezig zijn met louter zichzelf te bestuderen. Dit is de plaats waar wetenschap en technologie tot ontwikkeling komen op een maatschappelijk verantwoorde wijze, in zelfstandige instituten die zijn toegesneden naar de menselijke maat. Dit is de meest creatieve plaats in onze samenleving - waar studenten, docenten en assistenten uit alle disciplines elkaar stimuleren en inspireren.

Jeroen, een eiland van Onderwijs, Kunst en Wetenschap in het centrum van de hoofdstad als IJ van Columbus voor stad en universiteit, het was maar een droom van je broer,

Frans.