HEDENDAAGS FEMINISME

Een vrouwelijke professor (Christien Brinkgreve) met enige nevenactiviteiten, een man met een goede baan en kinderen, wordt van dit alles erg moe. H.L. Wesseling doet haar in NRC Handelsblad van 4 februari een oplossing aan de hand (minder gaan werken) die in de discussie over lusten en lasten van arbeid en het beroep op collectieve middelen meer aandacht verdient. De ongelijke verdeling van betaald en onbetaald werk tussen mannen en vrouwen laat ik hier rusten. Wie Wesselings optimisme in dezen deelt, kan ik het proefschrift van Tanja van der Lippe (Utrecht, 1993) aanbevelen.

Als je (m/v) veel talenten in huis hebt en je weet deze ook te verkopen, worden de grenzen van je mogelijkheden op de arbeidsmarkt vooral bepaald door factoren als beschikbare energie en mobilisering van ondersteuning uit je omgeving. Als blijkt dat je meer verkocht hebt dan je op lange termijn aan kunt, ligt er een structureel, maar wel persoonlijk probleem, dat de gemeenschap niet voor jou hoeft op te lossen door een deel van het salaris te betalen zonder "leveringsverplichting'. Of pa nu moe is of moe is moe, dat doet er hier niet toe. Immers, langdurig gedeeltelijk ziekteverlof, met behoud van de mogelijkheid de vrijgekomen tijd in te zetten voor betaald of onbetaald ander werk, komt neer op de eis tot verdubbeling van het afgesproken salaris. En dat roept vragen op. Is het in Nederland, waar de professionele kinderopvang nog in de kinderschoenen staat en de fiscus nog niet op de kleintjes let, heus mogelijk om tegen een professorale vergoeding je eigen kinderen op te voeden? En dan spreek ik nog niet over de zorg voor andere hulpbehoevende dierbaren, waar ook heel wat energie in kan gaan zitten.

Als het om betaald ander werk gaat naast de "baan-met-ziekteverlof', is dan de vergelijking met bijverdiensten naast een uitkering niet voor de hand liggend? En als zou blijken dat vooral vrouwen hun overbelasting via ziekteverlof op de gemeenschap afwentelen, geven zij dan diezelfde gemeenschap niet een zwaar argument in handen om bij gelijke geschiktheid voor een baan aan mannen voorrang te verlenen?