Educatief uitgeven

Dag-, week- en maandbladen, literatuur, school- en studieboeken, naslagwerken; elke gemiddelde niet-analfabeet komt dagelijks een paar keer in aanraking met een aantal van deze produkten. We weten dat ze worden geschreven, gedrukt, gebonden en verspreid. En dan is er ook nog de uitgever. Daarover wordt nog wel eens geschamperd: wat doet die eigenlijk? Hij schrijft niet, hij drukt niet en hij bindt niet. Het antwoord is snel gegeven: een uitgever organiseert, coördineert dat schrijven, drukken en binden en meestal zorgt hij ook voor de distributie. En heel belangrijk: hij neemt het ondernemersrisico voor zijn rekening.

Daarbij heeft ieder uitgeefprodukt zo zijn eigen trekken. De uitgever van een dagblad stelt dagelijks de pagina's beschikbaar die redacties met hun stukken vullen. De kosten dekt hij uit advertentie- en abonnementsgelden en losse-nummersverkoop. Elke dag weer moet er binnen een paar uur een krant worden gedrukt en gedistribueerd. Niets is bederflijker dan nieuws.

Heel anders gaat het bij een uitgever van literatuur. Die zit met een oplageprobleem. Hij moet schatten hoeveel exemplaren hij van een bepaalde titel zal laten drukken. Maakt hij er weinig, dan is dat relatief duur; laat hij er veel drukken, dan is dat relatief goedkoop. Maar als hij ze niet verkoopt, hopen de voorraden zich op en ook dat kost geld. Een beetje literaire uitgever moet die riskante calculatie een paar honderd keer per jaar maken.

Weer een ander soort ondernemer is de uitgever van school- en studieboeken, de educatieve uitgever. Een typisch kenmerk is dat zijn afnemers meestal niet de lezers van de boeken zijn. Het is immers de docent die de boeken voorschrijft. Verder heeft hij met een duidelijk seizoen in de verkopen te maken. In het voorjaar worden de boekenlijsten samengesteld. Een boek dat dan niet beschikbaar is, zal het komende schooljaar niet worden gekocht. In de maanden juli tot en met september vinden de meeste verkopen plaats. Nog een duidelijk verschil met de uitgever van literatuur: de educatieve uitgever produceert methodes. De investering in een nieuwe methode, die uit een aantal titels bestaat, bedraagt miljoenen guldens. Slaat zo'n methode niet aan, dan hakt dat er zwaar in.

De grafiek geeft bij benadering het "educatieve uitgeefveld' in Nederland weer. Er zijn zo'n dertig aanbieders op een markt waar jaarlijks ongeveer 300 miljoen gulden wordt omgezet. We hebben het dan over basisonderwijs tot en met hoger beroepsonderwijs. Een aardige bijzonderheid is dat de nummers één en twee deel uitmaken van hetzelfde concern: Wolters-Kluwer, dat dus bijna de helft van de markt beheerst.

Momenteel heerst een ongekende activiteit in educatief-uitgeefland. In augustus van dit jaar wordt de "onderbouw' van ons voortgezet onderwijs drastisch vernieuwd. De zogeheten basisvorming beslaat zestien vakken, waarvan vier nieuwe. Techniek, informatiekunde en verzorging zijn helemaal nieuw in de onderbouw. Economie bestond al bij de LBO/MAVO-scholen (nu VBO/MAVO), maar het vak zal voor het eerst in de onderbouw van het HAVO/VWO verschijnen.

Zo'n zeven jaar geleden publiceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) het rapport Basisvorming in het onderwijs. Vanaf dat moment moesten uitgevers beginnen een reeks strategische vragen te beantwoorden. Daarbij gedroeg de overheid zich als een nogal wispelturige omgevingsfactor door een aantal keren essentiële zaken te veranderen. Invoering zou eerst augustus 1992 plaatshebben, er zouden twee niveau's worden onderscheiden. Later werd het één niveau en invoering in augustus 1993.

Binnen die en nog andere onzekerheden moest een uitgever zich afvragen of scholen voor de al bestaande vakken het bestaande materiaal zouden gebruiken of dat er helemaal nieuwe methoden moesten worden ontwikkeld. Bovendien was het de vraag of het "onderwijsveld' het Haagse besluit zou volgen om op één niveau les te geven. Moet je per vak één methode brengen of twee met verschillende niveau's? Of kan je de niveaudifferentiatie in de werkboeken aanbrengen?

En omdat "de markt' voor iedereen helemaal open lag, was er de vraag: ga ik als uitgever alleen de vakken bedienen waar ik vanouds een sterke positie heb? Of maak ik gebruik van de nieuwe kansen die er liggen? En op hoeveel van die nieuwe deelmarkten durf ik me dan te bewegen? En als ik dan met nieuwe methodes op de markt kom, zullen de scholen die meteen het eerste jaar afnemen?

Zo'n tachtig procent van de scholen heeft een boekenfonds, waarbij de leerlingen de boeken huren. Gewoonlijk vernieuwt zo'n fonds eens in de vijf tot zes jaar z'n boeken. Weinig scholen zullen de middelen hebben om het eerste basisvormingsjaar alle boeken nieuw in te kopen.

Het is nauwelijks voor te stellen wat de door de overheid aangedragen produktvernieuwing allemaal bij uitgevers (en trouwens ook op scholen) teweegbrengt. Uitgevers manifesteerden zich onlangs op de Nederlandse Onderwijstentoonstelling (NOT), ze trekken het land door om regionaal voorlichting over hun nieuwe produkten te geven. De landelijke pedagogische centra organiseren methodenkeuzebegeleidingsbijeenkomsten. Er zijn scholingscursussen voor docenten. Kortom, er is volop leven in de brouwerij. En al die uitgevers hopen dat ze zoveel mogelijk winners in hun nieuwe fonds hebben en zo weinig mogelijk miskleunen.