Driedubbel-overgehaalde snoes

Hoe liefder de brief, des te minder heb je er aan. Dat is het probleem.

Want wat is een liefdesbrief? Een brief waarin staat: Liefste lieveling, ik hou van jou, heel erg veel, ik mis je, denk je wel aan me, zonder jou kan ik niet leven, we zien elkaar over zevenendertig dagen, zul je op jezelf passen lieve schat, ik kus je op je liefste plekjes, xxx je Piet. Zoiets. Niets. Hoe interessant is zo'n brief en vooral, hoe lang blijft hij dat? Vroeger of later na het eerste oplaaien van het liefdesvuur (bij mannen vroeger, bij vrouwen later, heb je wel eens de indruk) ontstaat toch de behoefte aan meer persoonlijke mededelingen, leuke verhalen, het ontvouwen van gedachten. Maar het persoonlijke is, o schrik, juist algemener. Verhalen kun je aan zovéél mensen kwijt. Alles wat op die manier interessant is, lijkt als water de liefdeswijn te verdunnen. Met andere woorden: liefdesbrieven zijn de stomste brieven.

Er is een heel zeldzaam talent nodig om tussen de Scylla van het gezwijmel en de Charybdis van het geklets een liefdesbrief op koers te houden. Dat heeft iets onrechtvaardigs, want de liefde zelf is minder dun gezaaid. Daardoor kunnen de mooiste gevoelens gênante rommel worden op het briefpapier van een eenvoudige geest. Ik heb eens een vakantieliefde gehad, hij heette tot overmaat van ramp Oene, die mij zulk een beklemmende stroom platte liefdesbrieven en vierderangs gedichten stuurde, dat zelfs mijn romantische tienergemoed daar niet tegen bestand was. Sindsdien heeft het gevoel dat iedere liefdesbrief een compromis is, mij niet meer verlaten.

Een andere gruwelijke ervaring op hetzelfde gebied had ik toen reeds achter de rug. Ik had de brief zelf geschreven. Maar hij was op papier gestolde dromerij, niet bedoeld om door geadresseerde gelezen te worden en toen die dat toch deed - ik had hem, per ongeluk, zelf overhandigd! - kon ik wel sterven van schaamte. Wat wil je, elf jaar oud. Toen ik besefte wat ik gedaan had, was ik mij aan het uitkleden voor het slapengaan. In diepe wanhoop heb ik toen een onderbroek met mijn blote handen in stukken gescheurd. Ik had mij er wel aan willen verhangen. Van het gejok en gedraai over de telefoon dat nodig was om mijzelf vrij te pleiten van de schande, een liefdesbrief aan een nietsvermoedende dertienjarige jongen te hebben geschreven, herinner ik mij vooral hoe ongeloofwaardig het was. Maar hij - ik koos, vrees ik, wel vaker doetjes uit - leek alles gewillig te geloven.

(Ik kan het ook niet helpen dat een van de grootste schaamtes van mijn kinderjaren zoiets onnozels betreft. De afgelopen weken hebben in diverse kranten stukken gestaan met heel wat pittiger bekentenissen: iemand die als schooljongen een andere jongen met een mes had gestoken, iemand die op de vlucht voor de Duitse bezetters zijn grootouders op de stoep had laten staan terwijl hij zelf in een taxi stapte, iemand die een van de schilder cadeau gekregen schilderij naar het pandjeshuis had gebracht. Dat is het echte werk en ik weet niet wat ontzagwekkender is, de daad of het bekennen ervan.)

Natuurlijk heb je ook prachtige liefdesbrieven. Er is op het ogenblik het een en ander over te doen, omdat iedere Boekenweek een thema moet hebben en het zogenaamde ego-document tot mode is verklaard. Nelleke Noordervliet verzamelde en becommentarieerde voor de gelegenheid een paar handjes vol liefdesbrieven van Nederlandse schrijvers en schrijfsters, van Belle tot Blaman.

Maar onder het lezen dringt nog een ernstig probleem met de liefdesbrief tot mij door, een probleem dat in verscheidene van de door Noordervliet verzamelde brieven te zien is. Het is dat de schrijver bijna altijd weet (en wij merken het) dat hij net niet zó volmaakt toegewijd is als hij zich in geschrifte aan het tonen is. In zijn hart beseft hij bijvoorbeeld dat wat hij voelt een tammere, minder vlammende passie is dan de vorige (hij noemt haar dus ook, zoals Douwes Dekker schrijvend aan zijn Everdine, ”verstandiger, wijzer, omzigtiger'). Ofwel je voelt het onontkoombare achterblijven van de echte gevoelens bij het Ideaal. Er zijn verzwegen motieven, er is egoïsme, een drang om zichzelf te rechtvaardigen. Even zovele weeffoutjes.

De liefde zonder voorbehoud is zeldzamer dan iedereen zou willen. Met het idee van een ”good enough parent' (de geruststellende minimum-eis van Dr. Spock) valt te leven, met dat van een dito echtgenoot ook nog wel. Maar waar verliefdheid in het spel is geeft de wetenschap dat alles betrekkelijk is, iets onbehaaglijks.

De mooiste liefdesbrieven, anderzijds, zijn dan toch weer zo mooi terwijl je ten volle beseft dat - bij voorbeeld - die Emmy niet Nijhoffs eerste, noch zijn laatste liefde was. Hij vergeet het immers zelf even. En als Willem Kloos aan zijn ”driedubbel-overgehaalde snoes' uitlegt dat de zoen van iedere andere vrouw hem eer onaangenaam dan aangenaam zou zijn, ja, ”vrij-uit gezegd, ik zou er een heel klein beetje vies van zijn', heeft hij toch een essentieel onderdeel van de verliefdheid voor altijd onder woorden gebracht.

De telefoon, waar je een ongestructureerde woordenstroom in kunt braken, is maar een vulgair ding. Hij is te geduldig. Iedere kunst, ook die van de liefdesbetuiging, vaart wel bij beperkende regels. Als de post maar één keer in de week zou zijn bezorgd, als de inkt op de bon was geweest, wie weet tot welke hoogten dan het genre van de liefdesbrief zou zijn gestegen.

Maar nooit, hoe schaars het papier ook wordt, hoe lam de telefoon ook ligt, zullen de stamelaars, de hypocrieten, de platte koppen, de analfabeten mooie liefdesbrieven gaan schrijven. Ja, hun geliefde zal ze (hopelijk) mooi vinden en er blij mee zijn, dat is haar rol. Maar om een goede brievenschrijver te worden is meer nodig dan dat er geen telefoon is, zoals je wel eens hoort suggereren. Dat is een onderschatting van het genre.