Doelmannetjes schreeuwen om aandacht

EINDHOVEN, 11 MAART. “De keeper zit in het verdomhoekje”, zegt Hans van Breukelen. Niet alleen als hij cruciale blunders maakt, zoals collega Stanley Menzo mocht ervaren. Maar altijd. “Dat is zijn noodlot.” Dat zit besloten in zijn positie. Hij kan geen wedstrijd winnen voor zijn club, hij kan alleen maar verliezen. De doelman als Don Quichotte.

Daarom was het gisteren een belangrijke dag in de emancipatie van de keeper. Want gisteren organiseerde landskampioen PSV voor het eerst een keepersdag, een nieuwtje in de Nederlandse voetbalhistorie. Ruim 700 keepertjes hadden zich aangemeld, alleen uit Oost-Brabant, in leeftijd variërend van 9 tot 15 jaar. Jongens, maar ook meisjes, ook een enkele gehandicapte doelman. En verder spillebenen, dikke konten, motorisch gestoorden, angsthazen en lefgozertjes, want iedereen was welkom, ook het reserve-keepertje van het vierde pupillenelftal. Zolang ze maar gebukt gingen onder het nummer één op hun rug.

Ruim 700 jeugdige keepers, dat zijn al gauw 1200 ouders en wedstrijdleiders. Dat zijn tenminste 400 fototoestellen en 300 videocamera's. Hoe vaak krijg je de kans om je bij de landskampioen te kunnen tonen? Gecoacht door Hans van Breukelen, Wim de Ron, Hans Westerhof, Frank Arnesen, Pim Verbeek en zeventig andere begeleiders? Dan heb je getuigen nodig én supporters én bewijsmateriaal.

Ruim 700 keepers, dat is ook voor zeker drie ton aan keepersspullen. Want je weet dat ook op je uitstraling wordt beoordeeld. Dan wil je er toch niet bijlopen in een effen shirtje en oude trainingsbroek. Dan draag je een fluorescerende trui in oorlogskleuren en een gewatteerde legging en handschoenen die eruit zien alsof ze door een couturier zijn ontworpen. Keepers zijn eenzaam, dat zeggen ze, daar koketteren ze mee. Maar keepers zijn ook ijdel. Ze schreeuwen om aandacht. Ziet dan niemand hoe belangrijk ze zijn?

Schrijvers hebben die buitengewone positie van de doelman altijd onderkend. In tegenstelling tot de massa die liever achter spitsen aanholt. Nabokov en Handke en Camus hebben de keeper beschreven als verdediger van een geheim, halfgod, hoeder van een heiligdom. Misschien omdat ze alle drie ooit zelf eens keeper zijn geweest. Camus beweerde zelfs dat zijn levenskennis uitsluitend op zijn ervaringen in het voetbal was gestoeld. Als doelman had hij geleerd hoe onvoorspelbaar de loop van de bal was en hoe je moest incasseren. Daar ben je keeper voor.

De laatste jaren is het belang van de doelman alleen maar groter geworden, zegt Jan Formannoy, de keeperstrainer van PSV en initiatiefnemer van de eerste keepersdag. Zegt ook Ignace van Swieten, oud-scheidsrechter en mede-organisator. Vroeger hoefde de keeper alleen maar de ballen uit zijn doel te houden. Maar tegenwoordig geldt hij als aanjager van de aanval, coach binnen het elftal. Sinds het afschaffen van de terugspeelbal treedt hij ook als veldspeler op.

Toch wordt de keeper in het voetbal nog altijd behandeld als sluitpost. Dat begint al bij de jeugd. Vraag tien keepertjes op de keepersdag waarom ze onder de lat staan en acht zeggen: “Omdat ik niet kan voetballen”. Een keus dus uit armoe. Miskenning van het keepersvak.

Op topniveau is het niet anders. Italiaanse topclubs aarzelen geen seconde als ze tientallen miljoenen guldens moeten uitgeven aan een talentvolle spits. Maar je hoort nooit over een spectaculaire keeperstransfer. Dan steken ze hun geld nog liever in een nieuwe tribune. Hans van Breukelen heeft zich daar al lang bij neergelegd. Hij vergelijkt de doelman met een boekhouder, die met zijn sober, dienstbaar optreden als stabiele factor van het bedrijf moet fungeren. Een spits is de snelle vertegenwoordiger, die naar buiten treedt, die de grote orders binnenhaalt.

Gevolg is wel dat opleiding en begeleiding van keepers worden verwaarloosd, vindt Jan Formannoy. Je ziet het bij de vier spelvormen die de keepertjes moeten afwerken op de keepersdag. Werpen, positiespel, vallen, de meesten beheersen niet eens de meest elementaire beginselen van het keepen. Datzelfde geldt voor veel trainers. Ze hebben geen benul van wat een keeper nodig heeft.

Van Breukelen heeft het ook allemaal zelf moeten uitvinden. Als "kleintje' mocht hij alleen maar meedoen als hij in het doel ging. Want dan liep hij het minste in de weg. Zijn plaats in het eerste pupillenteam van BVC had hij te danken aan een blunder van zijn voorganger, Bertje van Koo- ten, die zo gruwelijk op zijn donder had gekregen dat hij nooit meer in het doel wilde staan. Van mijnheer De Ridder kreeg hij de eerste aanwijzingen die je onder keeperstraining zou kunnen verstaan.

De PSV-doelman denkt dat je als “keeper in de wieg gelegd moet zijn”. “Maar goede begeleiding is nodig om het maximum te halen uit je mogelijkheden.” Daarom doet hij aspirant-opvolgers op de keepersdag voor hoe ze moeten uitkomen. Hij laat ze zien hoe ze moeten vallen. Hij daagt ze uit tot onverschrokkenheid. Dat past allemaal bij de opwaardering van de doelman. De keeper als moderne held.

Maar sommige jongetjes zullen het nooit leren. Als ze van de speaker horen dat Romario zojuist gearriveerd is, raken ze helemaal buiten zinnen. Ze laten zelfs hun goal in de steek. Zulke jongetjes die zich nog vergapen aan een Braziliaanse spits horen natuurlijk niet thuis tussen de latten. Ze beseffen niet dat keepen ook een roeping is.