Cubanen geven hun laatste cent aan de goden; Wie genoeg heeft van strand en prostitutie kan initiatierite doen; Loslippigheid over cultus wordt met de dood bestraft

Santerá, een mengsel van Afrikaanse voodoo en het katholicisme, beleeft op Cuba gouden tijden. Het communistisch bewind vreest de toenemende politieke macht van het occultisme, maar maakt anderzijds gebruik van Castro's status als santerá-halfgod.

HAVANA, 10 MAART. Onder het monotone geroffel van de trommels verstart zijn blik geleidelijk; de lange, broodmagere jongeman lijkt niet meer bij ons te zijn. Terwijl de andere dansers een kring om hem vormen, krimpt hij ineen, slaat zich op het hoofd en zakt op de grond. De priester die de ceremonie leidt, herkenbaar aan een honkbalpetje met het woord "captain' erop, maant tot stilte. De trommels zwijgen. Dan springt de jongeman op, knielt voor de trommels, gooit zijn schoenen uit en baant zich een weg door de menigte naar een zijkamertje.

“Yemayá is in hem afgedaald”, zegt Humberto, een andere priester, nadat hij op zijn beurt voor de bezielde jongeman op de grond is gaan liggen ter begroeting van deze god. De jongen komt even later terug met een hoofdband om die, evenals zijn hemd, is volgeplakt met briefjes van tien en twintig pesos. Die zullen straks worden uitgedeeld. De jongeman omhelst met hemelse blik alle aanwezigen. Ditmaal groet Yemayá - god van het water en de zee, moeder van alle goden - ons.

De occulte godsdienst santerá, de zwart-Cubaanse versie van de Afrikaanse religies die in het Caraïbisch gebied zijn te vinden, maakt onder druk van de economisch en politiek zware tijden, bloeitijden door, evenals overigens de andere godsdiensten. Naar schatting zijn er nu ten minste vierduizend santeros (priesters), het aantal volgelingen van de ooit verboden godsdienst moet in de miljoenen lopen. “Er sluiten zich steeds meer mensen bij santerá aan”, bevestigt Humberto, terwijl doña Inés, zijn vrouw, de glazen rum nog eens volschenkt. “Iedere dag houden we doopdiensten”.

Santerá is zo Cubaans als rum en rietsuiker. In de literatuur van het land zijn de invloeden van santerá terug te vinden. De grote dichter Nicolás Guillén schreef zelfs een ode aan Güije, het stoute godje van de Cubaanse rivieren. Was santerá van oorsprong een exclusieve aangelegenheid voor de zwarte Cubanen, afstammelingen van Afrikaanse slaven die in de zeventiende en achttiende eeuw naar Latijns Amerika werden ontvoerd, in toenemende mate sluiten nu ook mulatten en blanke Cubanen zich aan.

Ook buitenlanders melden zich in steeds grote aantallen bij de babalao's, zoals de priesters eveneens worden genoemd. Rijke Venezolanen en Mexicanen betalen grif een paar duizend dollar voor hun initiatierite en voor de voorspellingen waar de Orisha's (goden) na het offeren van pluimvee, gevogelte, geiten, varkens - of in bescheidener mate, taart en snoep - dankzij de tussenkomst van de babalao toe bereid zijn.

Inmiddels heeft de Cubaanse toeristenindustrie santerá ontdekt. Voor Canadezen, Duitsers of Nederlanders die genoeg van het strand en de prostitutie hebben, organiseren de wat commerciëler ingestelde babalao's tegen vergoeding nèt-echte santerá-rituelen. Andere babalao's gaan nog een stap verder en bieden nu complete paketten aan: vliegreis, hotel, initiatierite en een excursie.

Maar in deze buitenwijk van Havana, onder de rook van het vliegveld José Mart, komen geen toeristen. De ruim tachtig aanwezigen in de driekamerwoning van gastheer (en santero) Guillermo zijn allen gelovigen. Op een paar mulatten na is iedereen zwart, behalve dan de twee buitenlandse journalisten. Maar het zijn harde tijden en er moeten concessies worden gedaan aan het besloten karakter van de dienst. De door de buitenlanders meegebrachte flessen rum worden in dank aanvaard.

Opmerkelijk is dat in het Havana van de absolute schaarste kosten noch moeite zijn gespaard voor deze bijeenkomst ter herdenking van de eerste sterfdag van Odami, een geliefde santero, en van Yemayá. De god van het water is een zoetekauw, zo wordt uitgelegd, en moet tevreden worden gesteld met snoepgoed. Onder het beeld van Yemayá staat op de grond een soort bruidstaart met een diameter van een meter. Er om heen drie kleinere taarten, bekertjes met chocolade, maïs met suiker en kokosnoot. Verder bananen, ananas en tamales. Alleen al in de bruidstaart - versierd met gracieuze zwaantjes die ook de belangstelling hebben van een zwerm vliegen - zijn meer dan tweehonderd eieren verwerkt. Een ei kost op de zwarte - en veelal enige - markt drie pesos. In de taart voor Yemayá zitten omgerekend vier gemiddelde maandsalarissen aan eieren. Voor de taart staat een zilveren schaaltje waarin alle aanwezigen een bankbiljet leggen, meestal tien, soms twintig pesos. Als het om santerá gaat, lijken er ineens geen tekorten meer te bestaan.

Cuba kent drie santerá-stromingen: Yoruba, de grootste; Palo Monte en de Abakúa-stroming, de kleinste en meest geheimzinnige. Deze cultus met naar schatting 50.000 leden opereert uitsluitend in de havens van Havana, Matanzas en Cárdenas, en in de gevangenissen. Wie in de haven wil werken, moet toetreden tot de Abakúa, onafhankelijk van de officiële, communistische vakbond. De Cubaanse overheid heeft uiteraard geprobeerd deze sekte te verbieden, maar zonder veel succes.

De Abakúa zijn een soort vrijmetselaarsloge - alleen mannen mogen toetreden - en eigenlijk een mafia. De inmiddels geëmigreerde Cubaanse auteur Lydia Cabrera doorbrak in 1948 het mysterie rondom de Abakúa met haar boek El Monte. Maar haar belangrijkste informant binnen de Abakúa moest zijn loslippigheid met de dood bekopen. Net als bij de mafia met haar omertà geldt bij de Abakúa de doodstraf voor het doorbreken van de zwijgplicht. “Maar politieke gevangenen kunnen in de gevangenis veelal rekenen op de bescherming van de Abakúa”, zegt een opposant van het regime ter verdediging van het genootschap.

Na het vierde congres van de Cubaanse communistische partij in 1991 kent het land een wat grotere vrijheid van godsdienst. De huidige bloei van santerá is daar zeker mede aan te danken, alsook aan de duizenden zwarte veteranen van de oorlog in Angola die met een hernieuwd besef van hun Afrikaanse roots in Cuba terugkeerden. Het is in Cuba al lang niet vreemd meer om zowel lid te zijn van de communistische partij, een katholiek gelovige te zijn en aanhanger van santerá. Uit de dagen van de onderdrukking van hun godsdienst stamt het verschijnsel van de "syncretisering': elke god van de santerá heeft een katholieke heilige als alter ego. Zo is Yemayá bij Yoruba de Maagd van Regla (een voorstadje van Havana) en is Babalú Ayé dezelfde als Sint Lazarus. De clerus in het communistische Cuba heeft een soort gelegenheidsalliantie gesloten met santerá onder het motto if you can't beat them, join them.

De pogingen van de communistische partij om santero's te coöpteren, zijn vooral ingegeven door de vrees dat zij behalve een religieuze in toenemende mate ook een politieke macht beginnen te vormen. Binnen het Centraal Comité bestaat zelfs een aparte afdeling voor religieuze zaken. Op 8 september (dag van Yemayá) vorig jaar liep een mis in de kerk van de Maagd van Regla uit op het roepen van leuzen als "Leve Cuba!' - een kreet die wegens de anti-castristische connotatie ervan niet ongestraft kan blijven. De kerk werd bewaakt door tweehonderd agenten.

Santerá lijkt zowel vóór als tegen Fidel Castro te werken. Castro is in de ogen van de babalao's nog steeds een soort zondagskind. Het was immers op zijn schouder dat drie decennia geleden een witte duif neerstreek, zo schrijft Tad Szulc in de biografie Fidel, a Critical Portrait. De Orisha's hadden niet duidelijker kunnen zijn: dit was een bijzonder mens. En was de Oddun, zoals de jaarlijkse voorspelling van de Orisha's heet, voor 1991 nog het jaar van Changó, de oorlogsgod, en werd veel ellende en bloedvergieten verwacht, voor dit jaar is de Oddun wat milder. Volgens de Orisha's is 1993 vooral het jaar van compromissen en onderhandelingen.