CPB: koude sanering in bedrijfsleven

DEN HAAG, 11 MAART. De Nederlandse economie blijkt slecht bestand te zijn tegen tegenwind. De sterk gestegen arbeidskosten en de uitgeholde winstposities van het bedrijfsleven “dwingen” de industrie en de dienstensector tot “rationalisaties en saneringen”.

Dat schrijft het Centraal Planbureau (CPB) in het Centraal Economisch Plan 1993 dat binnenkort wordt gepubliceerd.

Het CPB waarschuwt voor het risico dat door de lage winstgevendheid de financiële middelen onvoldoende zijn en dat “de koude sanering de overhand krijgt”. De loonontwikkeling is in dit verband een belangrijke factor en cruciaal voor de ontwikkeling van de werkgelegenheid. In de periode 1981-1989 stegen de reële arbeidskosten met gemiddeld 0,25 procent per jaar; sinds 1990 is die stijging twee procent en vorig jaar bijna 4 procent. Bij een inflatie van drie procent in 1994 zou de contractloonstijging onder de twee procent moeten kunnen blijven, vindt het CPB. De koopkracht daalt volgend jaar over de hele linie met één à twee procent.

De concurrentiepositie van het Nederlandse bedrijfsleven is vorig jaar verder verslechterd door de crisis in het Europees Monetair Systeem (EMS). De aanpassing van de EG-wisselkoersen leidde tot een appreciatie van 3,5 procent van de gulden. “Het concurrentievoordeel dat de landen met lage inflatie in de periode van vaste wisselkoersen hadden opgebouwd, werd in één klap teniet gedaan.” Het Planbureau verwacht dat de gevolgen van de appreciatie dit jaar duidelijk worden.Het CPB voorziet ook voor dit jaar een verslechtering van de concurrentiepositie - afgemeten aan de loonkosten per eenheid produkt - “en het ziet ernaar uit dat hieraan in 1993 nog geen einde komt”. Slechts door zeer forse prijsconcessies ten koste van de winstmarges kan het exportaandeel enigszins op peil worden gehouden”, aldus het CPB.

Het overschot op de lopende rekening stijgt dit jaar met bijna één miljard gulden tot 13,5 miljard gulden. Voor volgend jaar verwacht het CPB als gevolg van de aantrekkende internationale conjunctuur en de nog zwakke binnenlandse bestedingen een stijging van het overschot tot 16,5 miljard gulden.

De conjuncturele neergang wordt duidelijk zichtbaar in de verhouding tussen het aantal mensen met een uitkering en de beroepsbevolking (het verhoudingsgetal inactieven/actieven). In de tweede helft van de jaren tachtig kon dit verhoudingsgetal redelijk stabiel blijven op een niveau van 82 procent. In de komende twee jaar zal dit verhoudinsgetal de trend van daarvoor weer oppikken, want volgens de prognoses stijgt dit kengetal via 83,5 dit jaar tot 85 in 1994.