"Coca is onschadelijk; het Westen is schuldig aan de cocaïnehandel'

AMSTERDAM, 11 MAART. Zolang Latijns-Amerikaanse cocaboeren financieel geen baat hebben bij het overstappen naar de teelt van andere gewassen, zullen zij de Westerse programma's voor alternatieve gewassen weinig serieus nemen. Legalisering van de cocateelt is een betere oplossing. Dit was een van de conclusies van de conferentie "De Wereld van de Kook', die de afgelopen twee dagen in Amsterdam werd gehouden.

De organisatoren - onder wie de werkgroep Bolivia-Nederland en het Bolivia-centrum België - hadden sprekers uit Latijns Amerika uitgenodigd om het cocaïne-probleem vanuit hun gezichtspunt te belichten. Volgens hen is het Westen zelf schuldig aan de criminaliteit die is gegroeid rondom de produktie van coca en de daaruit bereide drugs cocaïne en crack.

“Coca is het enige gewas dat ons bestaanszekerheid biedt”, zei de Peruaanse cocaboer Genaro Cahuana in Amsterdam. Hij is actief in organisaties die opkomen voor de rechten en belangen van cocaverbouwers. “Coca is iets heel anders dan cocaïne. Cocateelt leidt op zichzelf niet tot het drugprobleem. De chemicaliën voor de bereiding van cocaïne komen uit het geïndustrialiseerde landen. De banken waar de drugwinsten worden witgewassen staan in de westerse hoofdsteden.”

Volgs Cahuana kan de legale cocabouw een winstgevende onderneming zijn, die nuttige produkten oplevert, zoals coca-thee, coca-wijn en coca-tandpasta. Deze produkten, die vandaag de dag al in cocalanden Peru en Bolivia te koop zijn, zouden ook geëxporteerd kunnen worden.

De organisatoren van deze conferentie - waar tegenstemmen opvallend ontbraken - halen de Amerikaanse oud-minister George Shultz en de econoom Milton Friedman aan, die er in het verleden zelfs voor gepleit hebben de handel in cocaïne maar helemaal vrij te laten. Volgens Friedman - die vindt dat de overheid zich nooit dient te bemoeien met de vrije markt - zou dat een prijsdaling tot gevolg hebben die de handel in cocaïne zeer onaantrekkelijk zou maken.

Cahuana is geen voorstander van de legalisering van de drug cocaïne, wel van vrije coca-teelt; dat zou op termijn een stabielere bron van inkomsten zijn. Boliviaanse experts berekenden dat als cocathee twee procent van de wereldmarkt zou veroveren, alle struiken in Bolivia niet voldoende zouden zijn om aan de vraag te voldoen.

Nu beschouwt het westen de zogeheten substitutieprogramma's - de geleidelijke overgang naar de teelt van alternatieve gewassen, zoals koffie, cacao of bananen - als belangrijkste middel om een einde te maken aan de handel in coca en cocaïne. VN-landbouwexpert Iban de Rementeria stelde in 1989 al dat om het verbouwen van koffie of cacao aantrekkelijker te maken, de prijzen op de wereldmarkt voor die gewassen drastisch omhoog zouden moeten, teneinde met de reusachtige winstmarges van de cocaïnehandel te kunnen concurreren.

Volgens Cesar Villanueva - jarenlang directeur van het Cedisa-instituut, dat in Peru vervangingsprogramma's tracht te bevorderen - is de overstap steeds onaantrekkelijker omdat de prijzen van koffie en cacao op de wereldmarkt nog steeds dalen.

Unaniem waren de sprekers in hun kritiek op de “gewelddadige bestrijding van de drugshandel”, die de VS volgens hen opleggen aan de regeringen van Latijns Amerika. Zij zeiden zich bovendien zorgen te maken over biologische en chemische bestrijdingsmethoden, zoals het bespuiten van coca-plantages met gif ("spike') en het besmetten van cocaplanten met schimmels. Die praktijk zou voor aantasting van het milieu in geheel Latijns Amerika zorgen.