Rentewinst bank was onrechtmatig

Wie nu spaart heeft straks wat. Maar al te zeker moet een mens daar toch niet over zijn.

Het verhaal is niet nieuw: het weekblad Vrij Nederland heeft er een tijd lang in allerlei varianten vol van gestaan, maar ik wil de feiten toch eens echt op scherp stellen, nu zich zo'n geval in ongecompliceerde vorm voordoet. Er is hier geen sprake van al of niet te verdedigen beleid, maar van schaamteloos in praktijk gebracht onrecht met duidelijk strafrechtelijke aspecten. Juist omdat dat onrecht bij ons niet hard heeft toegeslagen, en zoals dat gaat bij veel tragische zaken, toch ook een zekere lachlust opwekte, kan ik onbevangen en zonder emotie verslag doen van onze bevindingen.

Wij - mijn vrouw - hadden bij die bank op 1 januari 1992 een bedrag van ƒ 598,47 uitstaan tegen een rente van 3,25 procent 's jaars. Het hele jaar 1992 door stond dat mooie bedrag daar te staan en het zal duidelijk zijn dat we toen het einde van dat jaar naderde, met spanning de vermeerdering van ons kapitaal tegemoet zagen. We hadden ons er op ingesteld een bedrag aan rente van zo'n kleine twintig gulden binnen te halen: zo worden kapitalisten slapende rijk. De teleurstelling was groot. Weliswaar werd aan creditrente ƒ 19,39 bijgeschreven maar daar stond een post debetrente van ƒ 7,58 tegenover. Het batig saldo van ƒ 11,83 kon ons niet meer troosten.

Omdat we zeker wisten dat er het hele jaar op die rekening niets gebeurd was (geen mutaties hadden plaatsgevonden, zeggen de deskundigen dan) wilden we toch wel eens weten waar die debetpost vandaan kwam. En we werden bij de bank, ik moet het toegeven, bijzonder vriendelijk en voorkomend te woord gestaan, zeker als men in aanmerking neemt dat we kwamen klagen en over welk bedrag de klacht liep. Alles werd tot op de bodem uitgezocht. Een geduld van een kleine twintig minuten moet je daar natuurlijk wel voor op kunnen brengen. De bewijsstukken werden ons welwillend in afschrift ter hand gesteld. De ombudsman zou de behandeling zelf zeer behoorlijk hebben gevonden.

Wat bleek? Op 6 februari 1992 hadden we een bedrag van ƒ 18.500,- bij die bank gestort, niet bestemd voor deze bankrekening maar voor doorzending ter aanvulling van een rekening bij een andere, nauw verwante bank. Om niet al te zeer in raadselen te spreken: het gaat over een filiaal van een bank in Nijmegen en over een nauw gelieerde bank in Amsterdam. Dat bedrag van ƒ 18.500,- werd de volgende dag, 7 februari 1992 door de Nijmeegse bank naar de Amsterdamse bank overgemaakt.

Wegens een totaal gebrek aan echt Hollandse koopmansgeest zou ik er niet op gekomen zijn dat de Nijmeegse bank ons die ene dag dat zij over het geld beschikte rente zou dienen te betalen al had dat - op basis van 3,25 procent 's jaars - toch altijd nog de lieve somma van ƒ 1,65 opgeleverd. En wie het kleine niet eert... is het soms niet zo?

Maar wat doet de bank? Ze verwisselt de kinderen. Ze draait, anders gezegd de data om. Het op 6 februari 1992 door ons bij haar gedeponeerde bedrag wordt geboekt als ontvangen op 7 februari 1992 en de overboeking van ƒ 18.500,- naar de bank in Amsterdam, die gebeurde op 7 februari 1992, wordt geboekstaafd als gedaan op 6 februari 1992. Dat heeft tot gevolg dat we gedurende een dag van de bank een bedrag hebben geleend van ƒ 18.500,-. Een kleine berekening leert dat die totaal verzonnen lening plaatsvond tegen een rente van 14,25 procent 's jaars. Mijn informante deelde mij vriendelijk mee dat dit alles het gevolg was van de "valuta-rekening'.

Is hier, strafrechtelijk bezien, sprake van oplichting dan wel van verduistering? Het typische van verduistering is dat de dader zich van geld (of goed) van een ander dat hij op rechtmatige manier onder zich heeft gekregen, zonder recht meester maakt. Dat is wat hier gebeurd is, want het in rekening brengen van die ƒ 7,56, is niet anders dan het zich zonder recht toeëigenen van dat bedrag. Er was immers geen lening en dat zou de enige rechtsgrond kunnen zijn die het berekenen van rente zou kunnen rechtvaardigen.

Maar, zal iemand zeggen, staat dan niet in de "kleine lettertjes' dat partijen deze werkwijze overeengekomen zijn. Anders gezegd, staat daar niet in dat we hebben afgesproken dat de klant rente zal moeten betalen over een lening die nooit bestaan heeft? Als rechtgeaard jurist lees ik die kleine lettertjes, als ze voor privé-gebruik bestemd zijn, in beginsel niet. Ik moet er daarom van uitgaan dat ergens in die lettertjes zo'n regeling wel te vinden is. Dat doet er echter in het geheel niet toe, want zo'n bepaling waarbij iemand wordt verplicht voor iets te betalen terwijl hij in feite daarvoor recht had op betaling, is in strijd met de goede zeden en dus nietig. En bovendien in elk geval vernietigbaar omdat zij voor de wederpartij van de opsteller van de regel onredelijk bezwarend is (Boek 6, art. 233 aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek). Er is amper een mooier voorbeeld te vinden voor de docent die zijn studenten moet uitleggen wat nu eigenlijk “onredelijk bezwarend” betekent.

Maar ik voel toch ook wel iets voor oplichting. Het typische daarvan is, voor zover voor ons geval van belang, dat men iemand ertoe brengt een vordering te laten schieten of een schuld te aanvaarden, die niet heeft bestaan. Dat moet dan gebeuren op een bedrieglijke manier. Voor deze zaak komen in aanmerking: listige kunstgrepen en: een samenweefsel van verdichtsels. Dat er kunstgrepen zijn toegepast zal wel niemand durven ontkennen maar het is wat te veel eer zo'n handelwijze listig te noemen. Botte kunstgrepen tellen niet. Het samenweefsel van verdichtsels is echter in alle glorie aanwezig: want het ene verdichtsel is dat er een bedrag van ƒ 18.500 voor een dag is geleend aan de klant en het andere dat dat bedrag een dag later door deze aan de bank is terugbetaald. Samen leveren zij een onrechtmatige winst op voor de bank van ƒ 7,56 plus ƒ 1,65 en dat ligt toch al weer een stuk boven de negen gulden.

Het is misschien amper de moeite waard maar ik doe toch maar verslag, want zotter heb ik het zelden meegemaakt.