Nederland en Bosnië

NEDERLAND STAAT bij de eerste tien in de wereld wanneer het erom gaat troepen te leveren voor vredesoperaties van de Verenigde Naties.

Daarnaast doet het mee aan internationale militaire ondernemingen buiten de volkerenorganisatie zoals de inspectie van de scheidslijn in de Sinaï. Den Haag kan het zich tegen deze achtergrond veroorloven in internationale instellingen met kracht te pleiten voor een nadrukkelijker optreden van de blauwhelmen in Bosnië. Alleen, er doemt een probleem op. Het ziet ernaar uit dat in het geval het Haagse pleidooi internationaal ontvankelijk blijkt, juist Nederland niet in staat is aan de daaruit voortvloeiende verzoeken om meer militairen te voldoen. De Kamer heeft gisteravond bij een debat over deze materie getracht om dit vraagstuk heen te lopen.

Het is een kwestie van vraag en aanbod. Alle nieuwe theorieën over snel inzetbare en dus relatief lichtbewapende troepen ten spijt, is duidelijk geworden dat een eventueel vredesakkoord in Bosnië slechts met zware eenheden kan worden gehandhaafd. Nederland beschikt dank zij tientallen jaren lang ruim investeren in zijn militaire apparaat over de pantserinfanterie en artillerie waaraan nu in Bosnië behoefte bestaat. Maar de bezetting van deze wapens met dienstplichtigen doet Den Haag met nagenoeg lege handen staan. Dienstplichtigen kunnen immers onder de geldende regels buiten het NAVO-gebied slechts op basis van vrijwilligheid worden ingezet en dat wordt te riskant geacht voor een duurzame onderneming.

HET ZIET ERNAAR uit dat Nederland bezig is zijn militaire voorbereiding en zijn strategische planning te enten op de politieke opportuniteit, en niet of veel minder op wat het daadwerkelijk beschikbaar heeft. Tijdens de Golfoorlog bleek er geen politieke meerderheid te zijn voor het zenden van fronttroepen, ook geen lichte. Langzaamaan heeft Nederland die op den duur onhoudbare uitzonderingspositie in de bondgenootschappen waartoe het behoort opgegeven. Deelname aan riskante vredesoperaties in Cambodja, Angola en het voormalige Joegoslavië berust inmiddels op consensus. De rode baretten die onlangs aan de eerste recruten van de nieuw te vormen Luchtmobiele Brigade werden uitgereikt, moeten als symbool dienen van Nederlandse actiebereidheid in de toekomst. Maar in Joegoslavië helpt dit alles Den Haag niet veel verder.

Stel evenwel dat de Haagse politiek zichzelf en de gesignaleerde verontrusting in het land over wat er in Bosnië plaatsheeft, ernstig neemt en besluit om dat wat er dank zij jarenlange financiële offers aanwezig is aan militaire kracht ook in te zetten, anders gezegd dat de bereidheid ontstaat dienstplichtigen op te dragen aan vredesoperaties deel te nemen, dan blijkt de plannenmakerij van de afgelopen jaren ineens achterhaald. Dan beschikt ons land onverwachts over een militair vermogen waarmee het gewicht in de schaal legt en waarmee het de vuist daar kan brengen waar de mond al was. Al was het maar omdat het handhaven van vrede onder de gegeven omstandigheden evenzeer een essentieel landsbelang is als de verdediging van het koninkrijk binnen het Atlantische bondgenootschap dat was ten tijde van de Koude Oorlog.