Kamer: saneer alleen urgente bodemvervuiling

DEN HAAG, 10 MAART. Een meerderheid in de Tweede Kamer wil bij vervuilde terreinen een onderscheid maken tussen urgente en niet-urgente gevallen. Als er geen direct gevaar is voor volksgezondheid of milieu moeten provincies geen "saneringsbevel' geven.

Volgens een amendement dat PvdA en CDA gisteren indienden bij de behandeling van de Wet Bodembescherming moeten dergelijke "niet-urgente' saneringsgevallen voorlopig alleen worden geregistreerd. Naar verwachting zal dertig procent van alle gevallen van bodemverontreiniging in Nederland in de categorie "niet-urgent' vallen.

De praktische uitvoering van de dure bodemsanering (schattingen lopen uiteen van 50 tot 100 miljard in de komende 25 jaar) was een van de belangrijkste onderwerpen bij de behandeling van de Wet Bodembescherming, gisteren en vanmorgen in de Tweede Kamer. Veel Kamerleden wezen op de uitkomsten van een onderzoek van de Algemene Rekenkamer, die in januari concludeerde dat het saneren van vervuilde terreinen tot nu toe gemiddeld 2,5 keer zo duurd uitviel als geraamd.

In tegenstelling tot CDA en PvdA wil de VVD niet-urgente saneringsgevallen geheel buiten de werking van de Wet Bodembescherming laten vallen. Pas als het gebruik van de vervuilde grond verandert, moet worden bekeken of daardoor een “acuut gevaar voor de volksgezondheid” ontstaat.

Dit amendement van de VVD leidde tot pinnige opmerkingen van de regeringspartijen. Het Kamerlid Van der Vaart (PvdA) verweet de VVD een “schandelijk amendement” te hebben ingediend: “Moeten we soms met ingrijpen wachten tot de mussen dood van de daken vallen?”. Volgens de milieubeweging zal echter ook het amendement van CDA en PvdA er in de praktijk toe leiden dat bedrijven denken dat het met de noodzaak van bodemsanering wel losloopt. De milieubeweging zegt “zeer ongelukkig” te zijn met het amendement van de twee regeringspartijen. Ook het Kamerlid Te Veldhuis (VVD) wees erop dat in ieder geval de CDA-fractie blijkens haar uitleg van het amendement “op de VVD-lijn” zit.

In een ander gezamenlijk amendement pleiten CDA en PvdA ervoor dat gemeenten ook door bodemverontreiniging onverkoopbare woningen opkopen die staan op niet door de gemeente uitgegeven grond. In de Wet Bodembescherming ging het nog alleen om onverkoopbare woningen op door de gemeente uitgegeven grond.

Alle partijen waren het erover eens dat de bepaling in de saneringsregeling dat de eigenaar van een vervuild terrein voor de saneringskosten moet opdraaien, ook als hij niet de vervuiler was, onrechtvaardig is. De VVD wilde deze bepaling schrappen, PvdA en CDA verlangen meer garanties om de nieuwe eigenaar te ontzien.

Behalve de VVD vinden alle partijen dat de overheid bedrijven te allen tijde verantwoordelijk mag stellen voor de kosten van de sanering, ook als deze is veroorzaakt in een tijd dat bodemverontreiniging in het overheidsbeleid nog geen rol van belang speelde.

Bij de behandeling van de Wet Bodembescherming hebben de Kamerfracties een veertigtal amandementen ingediend. Dit grote aantal was voor Kamervoorzitter Deetman aanleiding om voor te stellen hierover volgende week in een aparte vergadering met minister Alders van gedachten te wisselen. De minister zou de Kamer vanmiddag antwoorden.