Haags museum miste heldere organisatie

DEN HAAG, 10 MAART. Het Haags Gemeentemuseum blijkt “een organisatie waarin elementaire beginselen voor een adequate bedrijfsvoering ontbraken, dan wel niet werden nageleefd.” Dat stelt de gemeentelijke Stuurgroep Reorganisatie in de rapportage over de recent gebleken tekorten van 4,2 miljoen gulden, die gisteren naar de gemeente is verstuurd. “Zo werden de kosten van tal van activiteiten vooraf niet of onvoldoende geraamd, tussentijds niet bewaakt en regels voor budgetverantwoordelijkheid niet nageleefd.”

Burgemeester en wethouders van Den Haag willen nagaan of er "in de rechtspositionele sfeer of anderszins' maatregelen kunnen worden genomen tegen degenen die verantwoordelijk zijn voor de financiële tekorten bij het gemeentemuseum. Dat komt volgens een woordvoerder van de gemeente neer op mogelijk ontslag of het verhalen van de overschrijdingen. Uit de rapportage blijkt dat het museum de begroting in 1991 met 1,4 miljoen heeft overschreden en in 1992 met in elk geval 2,8 miljoen.

Het ontbrak onder de leiding van directeur R.H. Fuchs, nu directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam, aan “een planning gerelateerd aan een strenge controle op beschikbare budgetten. Een heldere organisatie met daarin ondergebrachte duidelijke verantwoordingslijnen en besluitvormingslijnen ontbrak eveneens,” zo stelt de waarnemend directeur dr J.L. Locher. “Daarnaast had het museum een inhoudelijk dilemma: enerzijds was er de wens om zich te concentreren op de eigen collectie, anderzijds werd naar buiten toe gezocht naar een dynamische betrokkenheid met de internationale kunstwereld - met name van de moderne kunst. Een museumbrede, voor een ieder duidelijk herkenbare werklijn was hierdoor afwezig.” En: “Een dergelijke werkwijze en bedrijfsvoering werkt overschrijdingen in de hand.”

In de brief bij het rapport stelt burgemeester dr. A.J.E. Havermans dat "een krap budget geen legitimatie is voor een overschrijding'. Volgens Locher werd "de werkcultuur niet gekenmerkt door zuinigheid'. Door het omvangrijke aantal activiteiten van het museum moest veel overwerk worden verricht en moesten veel uitzendkrachten worden ingehuurd. “De gevolgen daarvan onttrokken zich aan het oog van de directie.”

Havermans stelt dat de eindverantwoordelijkheid voor de uitvoering en de beheersing van de begroting bij Fuchs lag. De voormalig directeur stelt dat hij wethouder A. van den Berg - die naar aanleiding van de affaire inmiddels haar aftreden heeft aangekondigd - bijtijds op de hoogte heeft gebracht van de tekorten. Het eerste signaal, zo stelt Van den Berg, was zijn aan mij gerichte brief van 10 december 1991, die als volgt begint: “Graag zou ik op korte termijn met je gaan eten, à deux, om eens vrijelijk te spreken over de materiële omstandigheden waarin het museum verkeert.” Fuchs schrijft “dat de toestand nogal zorgelijk is en alleen kom ik er niet uit. Het financiële probleem ligt als een steen om onze nek.”

Tijdens dat gesprek kondigde Fuchs een "forse overschrijding van de begroting 1991 aan'. “Ik heb hem toen laten blijken dat ik daarover zeer ontstemd was,” aldus mevrouw Van den Berg. Uit de rapportage blijkt overigens dat een indruk omtrent de grootte van de tekorten pas eind vorig jaar ontstond, terwijl Fuchs beweert de wethouder daarvan al veel eerder op de hoogte te hebben gebracht. In brief aan Van den Berg van 7 maart stelt hij: “Toch herinner ik eraan dat bij mijn benoeming erop is gewezen dat ik mij vooral met het artistieke beleid zou moeten bezig houden. Zonder dat als excuus te willen aanvoeren is die opdracht uiteraard een belangrijke leidraad geweest bij mijn handelen.”