Clichés over een woeste vrijgezel die van zijn zoon houdt

De kleine blonde dood. Regie: Jean van de Velde. Met: Anthonie Kamerling, Olivier Tuinier, Loes Wouterson, Gees Linnebank, Liz Snoijink. In 48 theaters.

“Ik hield zo veel van hem in Artis dat ik er bijna beroerd van werd”. In zijn roman De kleine blonde dood (1985) deed Boudewijn Büch een poging om het mysterie van de vaderliefde te omlijnen. Ontsluieren was de bedoeling niet, aanduiden was hem voldoende. Ook al houden ze meer van hun zoons dan van zichzelf, de vaders zijn in deze roman weinig kansrijk. Die van de hoofdpersoon is door een in de Tweede Wereldoorlog ontstaan trauma gedoemd zijn zoontje te terroriseren. De hoofdpersoon zelf geeft zich, als succesrijk dichter van woedende poëzie, gretig over aan een losbandig leven. Hij is homoseksueel, werd per ongeluk vader en omdat hij zichzelf net zo verknipt acht als zijn eigen vader, vreest hij onafgebroken de jeugd van zijn zoontje op vergelijkbare wijze te zullen verzieken.

Büchs roman werd verfilmd door Jean van de Velde, die ook het scenario schreef. Hij dikte het boek sterk in en vertaalde subtiliteiten naar incidenten, zodat geluk en ongeluk inslonken tot clichés. Het onvermogen om een "gewone' vader te zijn werd samengevat in het bekende mislukte verjaarspartijtje waar geen klasgenootje op komt dagen; het slagen van het contact tussen vader en zoon wordt gevierd als altijd, op de kermis, hoog in de lucht in een bakje van de zweefmolen.

Doorslaggevender is dat Van de Velde een ander evenwicht voor het verhaal heeft nagestreefd. De ijselijke jeugd van de hoofdpersoon en de excessen van zijn vader reduceerde hij tot achtergrondinformatie. Het zwaartepunt van het verhaal verlegde hij van de jeugd van de hoofdpersoon, die geen Boudewijn meer heet maar Valentijn, naar diens volwassen leven.

Zijn homoseksualiteit liet hij weg. Hij was bang "dat het verwarrend zou werken', vertelde hij in een interview met De Filmkrant. Verwarring had kunnen leiden tot diepgang. Door die homoseksualiteit te schrappen vertroebelde Van de Velde Valentijns vaderschaps-dilemma's en verschoof hij de inzet van zijn verhaal van een mysterie naar een stel praktische problemen: hoe pas je een zevenjarige in in je bestaan van woeste vrijgezel, hoe ga je om met een niet voor rede vatbare moeder, hoe voer je een gevecht om de voogdij.

Daarmee gaat de film De kleine blonde dood niet langer over een man die onpasselijk is van liefde, maar over een man die veel van zijn zoontje houdt. En dat zoontje zal, in slotscènes die merkwaardig koud laten door vergroving van emoties en klinische toepassing van melodrama-conventies, overlijden, na in coma te zijn geraakt door een hersentumor.

Was het die verhaallijn die producent Rob Houwer ingaf om de filmrechten van Büchs roman te kopen zodra hij het boek had gelezen? Wie een beetje bekend is met de geschiedenis van de Nederlandse film ontkomt bij het bekijken van De kleine blonde dood niet aan die wat malicieuze gedachte. Houwers grootste succes was Paul Verhoevens Turks Fruit. Voor de goede verstaander is De kleine blonde dood doordesemd met echo's van die film over de verzengdende liefde van een woest levende kunstenaar voor een onvolwassen meisje dat overlijdt aan een hersentumor. Acteur Antonie Kamerling lijkt in zijn rol van de poète maudit Valentijn gemodelleerd naar Rutger Hauer als de tot kotsens toe op burgerlijkheid gebeten beeldhouwer Eric. Bekende Turks Fruit-scènes, tot en met Olga's pruik die tussen het vuilnis verdwijnt, zien we geparafraseerd en ook het smachtende geluid van Toots Thielemans is weer van de partij.

Houwer, destijds veronachtzaamd als medeverantwoordelijk voor het succes van Turks Fruit, presenteert zich nu nadrukkelijk als maker van De kleine blonde dood. Hij introduceert voor zichzelf de credit "Producent en Algehele Supervisie', tekent voor medewerking aan het scenario en laat de film voorafgaan door de woorden: "De film van Rob Houwer en Jean van de Velde'.

Van de Velde bewees eerder met zijn films De afstand en Parfait amour te beschikken over een groot vermogen om gevoel en tederheid weer te geven op onverwachte momenten en plaatsen, en tussen figuren waar dat niet voor de hand lag. Met De kleine blonde dood koos hij ervoor zich uit te leveren aan wat Houwers Turks Fruit II moest worden. Hij slaagde er niet in om die pretentie waar te maken en sleepte om te beginnen zijn acteurs mee de afgrond in. Gelukkig voor de film springen de relatieve nieuwkomers Kamerling en vooral de jonge Olivier Tuinier (als het zoontje) er in hun semi-professionele onschuld het beste uit. Hun naturel is zo sterk dat het meermalen het gratuite Paul Verhoeven-epigonisme overwint en nu en dan zelfs de houterige dialogen en de overvloedig aanwezige uitlegscènes.

De echte acteurs als Gees Linnebank en Porgy Franssen doen hun best er iets van te maken en raken hopeloos verstrikt. Vooral Loes Wouterson, als de moeder van het kind, krijgt het zwaar te verduren. Haar personage doet dienst om compassieloos te worden beschimpt, een lot dat in Turks Fruit Olga's moeder ten deel viel. Houwer en Van de Velde zadelden haar op met een buiten elke orde vallende identificatie met Puccini's Madama Butterfly, die ze verder uitwerkten in een weinig toepasselijke overeenkomst tussen Loes Wouterson en Glenn Close in de, ook van "Butterfly' doordrenkte, film Fatal Attraction. Niet alleen een drankzuchtige, onevenwichtige slons moest dit personage zijn, ze maakten haar tot een antipathieke loser die verblind wordt door een aan waanzin grenzende hartstocht. Zij houdt zoveel van Valentijn dat ze er beroerd van wordt. Tevergeefs.