Bij boeren in Cantabrië is de ontreddering voelbaar

In Spanje wint de twijfel aan de gemeenschappelijke Europese markt veld. Het aantal werklozen heeft de recordhoogte van drie miljoen bereikt. Vooral in de noordelijke provincies slaat de crisis toe.

CORVERA DE TORANZO, 10 . In café Victoria is vandaag beraad over de ruilverkaveling. Stroeve gezichten aan de tap en aan de tafels, wanneer Don Francisco Garcá van het ministerie van landbouw rustig uitlegt wat hij al honderd keer heeft moeten uitleggen in de café's, de dorpshuizen en de parochiezalen van Cantabrië. Dat er voordelen zijn, maar dat niks hoeft, als het dorp niet wil. Dat niemand zijn land wordt afgepakt, maar dat de overheid nieuwe wegen aanlegt als de dorpelingen onderling tot overeenstemming kunnen komen. En dat we de zaak eerst rustig gaan bestuderen, voor we actie ondernemen. Naast de gemoedelijke ambtenaar zit burgemeester José Luis Quevedo, die jong is en het beste voor heeft met zijn burgers. Hij draagt een lichtroze pullover en daarboven is zijn hoofd rood van ijver en van de inspanning die het inleiden hem heeft gekost.

Don Francisco weet wat de boeren in hun hart ook weten en wat de burgemeester nog niet waar wil hebben: dat het allemaal niet zal helpen. De veeteelt in de tien gehuchten die samen de gemeente Corvera de Torranzo vormen is ten dode opgeschreven. En veeteelt is al eeuwen veruit het belangrijkste middel van bestaan in het dal en op de heuvels die er omheen liggen. Goed beschouwd zelfs het enige.

Tweehonderddrieënzestig boerenbedrijven telt zijn gemeente, vertelt burgemeester Quevedo onder het middageten, en die worden bewoond door tweeëntwintighonderd mensen en vijfenveertighonderd koeien. Ook is er een fabriek: de melkfabriek. Als dessert beveelt de burgervader een specialiteit van de streek aan: taart van melk. Don Francisco prefereert een glaasje aquardiente. Hij legt uit dat Cantabrië van oudsher niet zozeer melk en vlees alswel hele koeien produceerde. Om mee te fokken, om elders te slachten of om als mobiel tappunt te gebruiken. Tot in de jaren vijftig hadden de grote steden in Spanje nog echte melkboeren: middenstanders die in het voorjaar een koe kochten die zich tegoed had gedaan aan het sappige gras van Cantabrië en het beest dan maandenlang in hun winkel lieten staan om verse melk te produceren. De koelkast en de snellere transportmogelijkheden maakten een einde aan deze gewoonte. Maar niet aan de hoge prijzen van de melk. Tot voor kort was de witte motor nergens in Europa zo duur als in Spanje. De gemeenschappelijke markt heeft daar abrupt verandering in gebracht.

De ontreddering die dit heeft veroorzaakt is hoorbaar, voelbaar en zichtbaar als we even later in het schelle middaglicht op het pleintje staan van Castillo Pedroso, een verzameling stevige boerderijen hoog op de heuvels. Eerst zegt Juan Mantecon dat hij zijn koeien wel zou willen verkopen, maar dat hij er op de woensdagse veemarkt in Torrelavega lang niet meer voor kan krijgen wat hij vorig jaar nog voor de beesten heeft betaald. Dan vertelt José Saniudo over het veevoer dat nu 26 peseta per kilo kost, evenveel als melkfabriek De Goede Herder voor een liter melk wil geven. Zes jaar geleden was de prijs per liter nog zestig peseta. José Ruida zegt dat hij zijn kinderen heeft aangeraden om uit het dorpje te vertrekken en er nooit meer terug te komen, want dit is geen leven. Hij vindt dat de ouderen zich daarna het beste in een gezamenlijke actie aan één van de fraaie eikebomen op kunnen knopen.

José Ruida is van het stel de kleinste, met de grootste mond. Altijd heeft hij de lachers op zijn hand, maar wanneer we even later alleen zijn bekent hij dat hij af en toe wel stil zou willen janken. Het is helemaal niet zo erg om iedere ochtend om vier uur op te staan en hard voor je brood te moeten werken. En een paar magere jaren, och, daar kom je ook wel overheen. Als je tenminste het gevoel hebt dat het ooit in de toekomst nog weer eens beter zou kunnen worden. Maar dat vertrouwen is er in Castillo Pedroso en in het dal van de Toranzo niet meer. Ooit had het gehucht drie café's, nu is er nog één dat tevens kruidenierswinkel is. De zaak is niet eens alle dagen open en krediet wordt er niet meer verschaft. De vijftig dorpelingen weten van elkaar dat ze toch geen geld meer hebben. Vroeger kon een gezin heel goed leven van vijftien of twintig koeien, daar is tegenwoordig geen denken meer aan. Zelfs de oudste inwoners, die toch de crisis van de jaren twintig en de burgeroorlog hebben meegemaakt, kunnen zich niet herinneren dat ze het ooit zo slecht hebben gehad.

“Natuurlijk zou ik best in een fabriek willen werken, maar ziet u een fabriek?”, zegt José Saniudo en maakt een weids gebaar langs de beboste hellingen, de kleine paadjes, de kronkelende stroompjes tot aan de rotsen aan het eind van het dal. In Torrelavega is een kunstvezelbedrijf, maar dat is door de arbeiders bezet, omdat het dreigt te sluiten. De papierfabriek, in het volgende dal, is al dicht. Tot zover de industrie van de regio.

José Pelayo heeft al die tijd niets gezegd. In de eerste plaats omdat hij vermoedelijk van aard al zwijgzaam is en in de tweede plaats omdat hij een onrustig paard in bedwang moest houden. Paarden en ezels zijn onmisbaar voor de bedrijfsvoering in Castillo Pedroso en dat alleen al maakt duidelijk waarom er onmogelijk geconcurreerd kan worden met de rest van Europa. Per auto zijn de steile weitjes waar het melkvee staat niet te bereiken. De lastdieren worden gebruikt om de volle melkbussen twee keer per dag naar het dorpsplein te brengen, waar ze door een chauffeur van De Goede Herder worden opgehaald. Tot vorig jaar kwamen er ook vrachtauto's van andere fabrieken, van Nestlé onder andere. De boeren konden kiezen en de concurrentie zorgde voor iets meer dan minimumprijzen. Inmiddels hebben de fabrikanten de markt verdeeld. Pas aan het eind van de maand hoort de veehouder nu welk bedrag per liter hij krijgt voor de melk die hij heeft geleverd.

Om strijd verklaren de boeren van Castillo Pedroso dat er niet meer van de veeteelt valt te leven en ze bieden aan om rekeningen, huishoudboekjes en onbetaalde verzekeringspremies te laten zien als bewijs. Ze hebben toch heus van alles geprobeerd om hun bedrijven en hun dorp, waar pas sinds vier jaar elektriciteit is, te moderniseren. Eerst kwam de kunstmatige inseminatie, daarna hebben ze hun oude vee verkocht en zijn ze overgeschakeld op Hollandse koeien. Sommigen hebben zich daarvoor diep in de schulden gestoken en toch blijkt nu dat ze niet tegen de Hollanders op kunnen concurreren.

Een televisiedocumentaire over agrarisch Nederland, die onlangs op de regionale zender werd vertoond, heeft een schok door het dorp doen gaan en vele dorpelingen de ogen geopend. Ten eerste: Holland bleek helemaal plat te zijn, zodat je overal met de auto kon komen. Maar nog veel onthullender waren de Hollandse boeren zelf die in beeld verschenen: ze hadden stropdassen om en pakken aan. In Castillo Pedroso woont niemand die een stropdas heeft.

Er is één man in het dorp die zijn veestapel heeft uitgebreid in een poging door een grotere omzet de crisis het hoofd te bieden en in optocht gaat het nu naar zijn huis. Manuel Pelayo heeft de beste weidegrond in de verre omtrek - groot, aaneengesloten, tamelijk vlak - maar hij maakt niet de indruk een zeer gelukkig man te zijn. Hij reageert nauwelijks op de plagerijen van zijn dorpsgenoten, hij is moe en bleek en mager. Het is hem aan te zien dat hij iedere dag drieënveertig koeien met de hand moet melken. Zijn vrouw en zijn kinderen lopen in vaak verstelde en weer opnieuw gescheurde kleren.

Een tweede dorpsgenoot heeft voor een radicaal andere oplossing gekozen. Hij heeft zijn melkvee van de hand gedaan en opnieuw koeien van het inheemse ras gekocht: Tudanca's, sierlijke beesten met lange horens die minder zorg en bijvoeding nodig hebben en die hij wil gaan fokken voor het vlees. Het is een gok, maar naar zijn idee de enige manier om de veeteelt in het dal nieuw leven in te blazen. Hij heeft een zoon die tien is en iedere dag na school zijn vader komt helpen, omdat hij nu al zeker weet dat hij niets liever wil dan ook boer worden. De andere dorpelingen verslijten hem voor krankzinnig dat hij op deze manier al zijn spaarcenten in de waagschaal stelt. Maar hij moet iets doen voor de toekomst van het jochie. Zijn vrouw heeft gelukkig de winkel en het café.

Don Francisco heeft zich vandaag tot de ruilverkaveling beperkt, maar hij had de boeren veel meer kunnen vertellen. Hij draait al bijna veertig jaar mee in het landbouwbeleid en hij weet precies wat er de komende jaren in EG-verband gaat gebeuren. Spanje heeft zich verplicht een kwart van zijn veestapel af te stoten. Hoewel het land een flink tekort aan melk heeft, heeft het zich verplicht de produktie terug te brengen, zijn boeren quota op te leggen en de prijzen nog verder te verlagen. Reden daarvoor is het bijzonder geringe rendement van de gemiddelde Spaanse melkkoe: nog geen drieduizend kilo per jaar, terwijl haar Deense en Hollandse collega's met gemak het dubbele halen. Slechts vijf procent van de Spaanse veehouders heeft meer dan dertig koeien en ook de fabrieken en coöperaties zijn in Spanje klein. Het grootste deel van de melkveehouders woont langs de Atlantische kust, die weliswaar groen maar ook bergachtig is en dus ongeschikt voor grote, efficiënt werkende bedrijven. In Cantabrië moet in de komende jaren éénderde van de veeboerderijen verdwijnen. “Je houdt dat niet tegen en we hebben subsidies om de pijn te verzachten”, zegt Don Francisco. De regio werd eind vorige maand door de Europese Commissie als achtergebleven gebied erkend, nadat het gemiddelde inkomen er was teruggezakt tot onder vijfenzeventig procent van de Europese norm. Bij De Goede Herder sluit men niet uit dat er in de toekomst melk uit het buitenland zal worden aangevoerd.

De burgemeester wil het er niet bij laten zitten. Hij weet dat zijn dorpsgenoten behoudend zijn en op hun eigenheid gesteld, maar toch klampt hij zich vast aan het enige alternatief dat de EG en de regering in Madrid aanbevelen voor onrendabele landbouwgebieden: het eco-, rurale- of groene toerisme. Vorig jaar is een door hem persoonlijk opgezette campagne enigszins in het water gevallen doordat geen enkele boer bereid bleek zomergasten in zijn huis op te nemen. Ook de dorpshotels waren niet enthousiast, want hun bedden waren nog lang niet allemaal bezet. Voor dit jaar heeft hij echter een kleurenfolder laten drukken met een voorwoord waarin hij de nadruk legt op de rust van het Toranzo-dal en met de beschrijving van een "gastronomische route' waarlangs het genieten is van een eenvoudige, eerlijke keuken gebaseerd op melk en vlees. Op een nacht, nog niet zo lang geleden, heeft hij bovendien met verf en kwast de verkeersborden aan het begin van het dal veranderd zodat het leek alsof de snelste weg naar Santander door zijn gemeente liep. Hij heeft er weliswaar een boete voor gekregen, maar zijn kiezers weten nu dat hij hun belangen tot ver over de gemeentegrenzen zal verdedigen. Tot aan de uiterste grenzen van Europa, als het moet.