Woningen, geen subsidies

NEDERLAND TELT ruim zes miljoen woningen; in 2005, dus over twaalf jaar, moet daar volgens het kabinet iets meer dan tien procent, 645.000 woningen, zijn bijgekomen. Van dit aantal geldt 162.000 als extra. Dat surplus vertegenwoordigt per jaar iets meer dan 0,2 procent van de totale woningvoorraad.

Toch spreken de eerst verantwoordelijke bewindslieden, staatssecretaris Heerma (volkshuisvesting) en minister Alders (ruimtelijke ordening), van een "tour de force' voor de diverse overheden die nodig is om de noodzakelijk geachte extra woningbouw te realiseren. Gelet op het tempo waarin na de oorlog Nederland met huizen is volgebouwd, is enige relativering hier op haar plaats. Te vrezen valt dat de "tour de force' voornamelijk slaat op de moeizame procedures en de gecompliceerde verhoudingen tussen de diverse bestuurslagen. Zo staat minister Alders op het punt met de diverse partijen in de regio Utrecht een akkoord over de bouw van 30.000 woningen te sluiten, terwijl de gemeente op wier grondgebied het overgrote deel van deze nieuwbouw moet komen, Vleuten-De Meern, weigert haar handtekening te zetten.

VOLGENS DE RECENTE prognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), die de basis vormt voor de nieuwe woningbouwplannen van het kabinet, stijgt de Nederlandse bevolking van vijftien miljoen in 1990 naar zestien miljoen in 2000 en 16,8 miljoen in 2015. Het is nog niet zo lang geleden dat demografen en in hun kielzog planologen rekening hielden met een bevolkingsomvang van twintig miljoen nog deze eeuw. Het migratiesaldo draagt tegenwoordig meer bij tot de bevolkingsgroei dan het geboorte-overschot. Tegelijkertijd vormt immigratie de onzekerste factor. Aangenomen mag worden dat gezinshereniging zal afnemen en gezinsvorming, de jonge immigrant die in zijn geboorteland zijn partner vindt, bij toenemende assimilatie eveneens geringer zal worden. De ontwikkeling van het aantal asielzoekers valt daarnaast eigenlijk nauwelijks op zinvolle wijze te voorspellen.

Niettemin vergt het dreigende woningtekort van 3,5 procent in 1995, met hier en daar uitschieters tot boven de vijf procent (Amsterdam), een reactie. Het kabinet is daar traag mee geweest, gelet op eerdere waarschuwingen (Centraal Planbureau, Rijksplanologische Dienst) die er zijn geuit. De percentages tonen ook aan dat de stelling dat in Nederland de woningnood is opgelost, een macro-redenering is die op micro-niveau lang niet altijd opgaat.

BELANGRIJKER DAN de exacte aantallen woningen is de keuze van het kabinet om de woningbouw in de toekomst grotendeels ongesubsidieerd te laten verlopen. Te lang is de vraag of Nederland vooral huurwoningen dan wel koopwoningen moest bouwen, bepaald geweest door overwegingen van ideologische aard. De logica gebiedt de huizen te bouwen waar de consument en de markt om vragen. Voor heel Nederland geldt dat er meer goedkope woningen staan dan de groep waarvoor zij bestemd zijn groot is. Het gevolg is dat menigeen relatief te goedkoop woont; een verspilling van subsidies dus.