Tegen kruistochten

Wie herinnert zich nog Imre Nagy? Hij was een van de tragische helden van de Hongaarse opstand van 1956. Communist, maar rebel tegen Moskou. Kondigde als minister-president de uittreding van zijn land uit het Warschaupact aan. Daarvoor moest hij boeten met een Russische inval en, ten slotte, met zijn leven. In de nadagen van het communisme, in juni 1989, vond in Boedapest zijn plechtige herbegrafenis plaats.

Wie herinnert zich nog Herbert Wehner? Hij was de éminence grise van de Duitse sociaal-democratie, die zijn partij in 1959 uit haar jarenlange, zelfgekozen isolement haalde en daardoor regierungsfähig maakte. Van 1966 tot 1982 was de SPD dan ook regeringspartij, eerst als junior partner van de christen-democraten, van 1969 af de partij die de koers van de Bondsrepubliek bepaalde, incluis de Ostpolitik.

Wat hebben die twee mannen gemeen? Beiden brachten in de jaren '30 en '40, in de hoogtijdagen van Stalins terreur, lange jaren in Moskou door (want ook Wehner was communist geweest). Over beiden nu zijn er de laatste tijd documenten uit de archieven van de KGB in omloop gebracht, waaruit blijken zou dat zij zich in die jaren schuldig zouden hebben gemaakt aan verraad van partijgenoten.

Nagy zou, als agent van de NKVD (de voorloper van de KGB) dertig à vijfendertig Hongaarse en bijna zeventig Duitse emigranten bij de geheime politie hebben aangegeven, wat in die tijd hun zekere dood betekende. En Wehner zou in 1939-1941, toen Stalin en Hitler bondgenoten waren, de NKVD behulpzaam zijn geweest bij het uitleveren van Duitse communisten die, verdacht van sabotage, in Russische kampen zaten, aan de Duitse Gestapo, die hen onmiddellijk in Duitse kampen opsloot.

Voor de authenticiteit van die documenten kan vooralsnog niet ingestaan worden. Misschien gaat het hier wel om manipulaties van de nog altijd bestaande KGB of van een schaduworganisatie ervan. Maar bijna zeker is wel dat een emigrant die de vooroorlogse jaren in Moskou, toen Stalins zuiveringen vooral die kringen troffen, heeft overleefd, dat niet heeft kunnen doen zonder althans enigszins medeplichtig te zijn. (Wehner werd in 1941, enige maanden vóór de Duitse inval in de Sovjet-Unie, door Moskou naar het neutrale Stockholm gestuurd, wat op z'n minst op een vertrouwensrelatie wijst.)

Moet deze mensen postuum - want ook Wehner is intussen overleden, zij het op vreedzamer wijze dan Nagy - verweten worden dat zij niet helemaal schone handen hadden? Zou een verleden van medeplichtigheid aan misdaden afdoen aan hun latere verdiensten? Zou hun gedachtenis, zou de eer van Hongarije dan wel de reputatie van de SPD er moreel door besmet raken? Of zou hun latere werk hun eventuele zonden hebben verzoend?

Wie zal dat uitmaken? Zeker niet degene die nooit in soortgelijke omstandigheden heeft verkeerd, die nooit het alternatief van het executiepeloton onder ogen heeft hoeven te zien. Het dilemma van de burgemeester-in-oorlogstijd is, daarbij vergeleken, de keuze waarvoor de deelnemers aan een gezelschapsspel plegen te staan.

Vandaar die nare smaak in de mond die die processen tegen "onofficiële medewerkers' van de Stasi in Duitsland vaak geven. Zeker, de slachtoffers hebben behoefte aan vergelding, althans aan gerechtigheid. Maar waren de Spanjaarden niet wijzer, die na de val van Franco's regime, dat bijna veertig jaar had geduurd, besloten het verleden te laten rusten?

Ook Nederlands eerste naoorlogse minister-president, W. Schermerhorn, die zowel in als na de oorlog voor moeilijke beslissingen had gestaan, vroeg zich een vijftien jaar later af “of het slijtageproces evenals het beperkte geheugen geen zegenrijke noodzakelijkheid betekent” (Wending, december 1960).

Hier vallen geen algemene uitspraken over te doen. Het alternatief van de schone handen moet zeker mee gewogen worden, en het alternatief is niet uitsluitend het executiepeloton of het concentratiekamp, maar kan ook bijvoorbeeld de onmogelijkheid zijn je kinderen te laten studeren. Ook de duur van het onderdrukkend regime - omgekeerd: het uitzicht op bevrijding - is een factor die meegerekend moet worden. Wat dat betreft is het dilemma in oorlogstijd gemakkelijker dan in vredestijd.

Ten slotte is er de vrijwillige rehabilitatie, waartoe Nagy en Wehner - vooropgesteld dat zij inderdaad niet geheel zonder schone handen uit hun Moskouse periode te voorschijn zijn gekomen - in staat zijn gebleken. Ook die telt. Maar daartoe moet de geschiedenis hun dan wel de gelegenheid geven, alvorens de wrekende hand der gerechtigheid zich over hen uitstrekt.

Morele uitspraken doen, ook als ze volkomen verdiend zijn, in de politiek vaak meer kwaad dan goed. Er is vandaag meer in de wereld wat onze morele verontwaardiging opwekt dan tien jaar geleden, maar de geschiedenis leert dat zij, indien tot leidraad van politiek verheven, tot kruistochten leidt, en kruistochten hebben nooit iets goeds tot stand gebracht, vaak alleen maar meer vreselijkheden.