Ook kolen, erts en stroom inzet Bosnische boedelscheiding; Bosnische Serviërs willen in een vredesplan meer dan alleen "de ratelslangen en de stenen' krijgen

Het overleg over het vredesplan voor Bosnië van de bemiddelaars Owen en Vance ligt weer even stil: de delegaties zijn naar huis om deze week hun achterban te raadplegen. Maar terwijl in Bosnië de strijd doorgaat en de menselijke ellende blijft toenemen, worden in de Newyorkse wandelgangen voor het eerst optimistische geluiden gehoord over de mogelijkheid van een akkoord. Lord Owen en Cyrus Vance hebben verheugd melding gemaakt van vooruitgang en als het meezit, zo zei de Bosnische president Izetbegovic zaterdag, kan er na zijn terugkeer naar New York, later deze week, misschien wel overeenstemming worden bereikt.

De geschillen waarvoor nog een oplossing moet worden gevonden zijn drieërlei en hebben alle betrekking op de landkaart die Owen en Vance hebben getekend, waarin wordt voorgesteld Bosnië op te delen in tien autonome provincies.

Het eerste verschil van mening is principieel: hoewel de grenzen van de provincies officieel niet heten te zijn getrokken op basis van de etnische samenstelling van de bevolking, komen ze feitelijk wel degelijk neer op een etnische verdeling van de republiek; en dat betekent volgens de moslims dat de Serviërs hun agressie en hun veroveringen beloond zien. Met dat argument hebben de moslims gelijk, maar dat gelijk krijgen ze naar alle waarschijnlijkheid niet, want het is zonder buitenlandse militaire interventie niet denkbaar dat de Serviërs zich hun veroveringen nog laten afpakken. Uiteindelijk zal de moslims dan ook weinig anders overblijven dan dit principiële bezwaar weg te slikken.

Het tweede verschil van mening concentreert zich op de vraag of de provincies, vooral die van de Serviërs en die van de moslims, onderling door corridors verbonden kunnen worden. De Serviërs hebben hard gevochten om één aaneensluitend gebied in handen te krijgen. Dat is niet gelukt en het is uitgesloten dat ze, zelfs al zouden ze slagen, aan de onderhandelingstafel hun eventuele verdere veroveringen erkend krijgen. De door Vance en Owen uitgestippelde grenzen voorzien bewust in van elkaar gescheiden Servische provincies, juist om te verhinderen dat die zich aaneensluiten en zich bij Servië voegen tot een "Groot-Servië'. Ook de moslims willen een corridor tussen "hun' provincies; ook zij krijgen waarschijnlijk niet hun zin.

Het derde conflict, tot dusverre nauwelijks aangeroerd in de publiciteit, is economisch van aard: het is de Servische klacht, dat "hun' provincies weliswaar rond zestig procent van het oppervlak van de republiek uitmaken, maar dat de economische hulpbronnen en rijkdommen allemaal bij de moslims en de Kroaten terechtkomen en dat de Serviërs zich - zoals een Servische onderhandelaar het heeft uitgedrukt - “met de stenen en de ratelslangen” tevreden moeten stellen.

Energie, in de vorm van hoogwaardige kolen en "witte steenkool' (waterkracht), vormt de belangrijkste economische rijkdom van Bosnië en de basis van zijn economische toekomst. Onder normale omstandigheden beschikt de republiek over een capaciteit van 4.200 megawatt en kan het een kwart daarvan exporteren. In het plan van Owen en Vance komen deze kostbare hulpbronnen volgens de Serviërs voor het overgrote deel in handen van de moslims. Van de vier kolencentrales krijgen de moslims de twee grootste, die van Tuzla en Kakanj, en de Serviërs de kleinste, die van Ogljevik en Gacko.

De vijf waterkrachtcentrales aan de Neretva komen in Kroatische provincies te liggen, net als de waterkrachtcentrale van Capljina en de raffinaderijen van Brod en Modnica. Van het "oude' totaal van 4.200 megaWatt krijgen de moslims 2.000 megawatt, de Kroaten 1.200 en de Serviërs duizend. Bij de kolenmijnen, aldus de Serviërs, is de verdeling nog meer in het voordeel van de anderen uitgevallen, want de twee belangrijkste bassins, die van Tuzla en Zenica, waar negentig procent van de Bosnische kolen wordt gedolven, liggen in moslim-provincies.

Ook een andere belangrijke hulpbron van Bosnië, zoals bauxiet (de grondstof voor aluminium), ontgaat de Serviërs als de grenzen van het oorspronkelijke plan van Owen en Vance definitief worden. De Birac-aluminiumfabriek in Zvornik - met een uitvoer ter waarde van 200 miljoen dollar per jaar de grootste exporteur van het oude Bosnië-Herzegovina - ligt in de moslim-provincie Tuzla, net als Europa's grootste bauxietmijn, die in Vlasenica. De rest van de aluminiumindustrie staat in het Herzegovijnse Mostar - een provincie van de Kroaten. Ook het zakenleven speelde zich voornamelijk af in de steden die op grond van het plan van Owen en Vance in moslim-provincies komen te liggen - niet zo verwonderlijk overigens, omdat de Bosnische Serviërs traditioneel boeren zijn en de moslims traditioneel stadsbewoners en handelaars.

In New York wordt de economische bevoordeling van de moslims en in mindere mate ook de Kroaten niet ontkend: de moslims, de grootste bevolkingsgroep, krijgen het kleinste gebied, maar dat kleinste gebied heeft economisch wel de grootste vooruitzichten, terwijl het grootste gebied, dat van de Serviërs, er economisch het minst goed voor staat. Maar, zo wordt er iewat cynisch bij gezegd, de hulpbronnen van de moslims stellen ook niet al te veel meer voor. Om het bezit van de krachtcentrales in die beoogde moslim-provincies is namelijk heftig gevochten - en de meeste zijn dan ook verwoest of zwaar beschadigd.