Nieuwe Boerenpartij doemt op in de rook van herdenking; "Misdaad, advocaten en psychiaters moeten worden aangepakt'

HOLLANDSCHEVELD, 9 MAART. “Zoals de Berlijnse Muur is gevallen, zo zal ook het Landbouwschap vallen.” Stoere taal klonk gisteren in de voormalige Drentse veenkolonie Hollandscheveld, een dorp onder de rook van Hoogeveen waar dertig jaar geleden geschiedenis werd gemaakt. Met veel machtsvertoon en met behulp van traangasbommen, karabijnen en klewangs werden in maart 1963 drie boerengezinnen uit hun huis gezet, het gevolg van hun hardnekkige weigering om de verplichte heffing aan het Landbouwschap te betalen. De gebeurtenissen, die aanleiding waren voor een forse groei van de Boerenpartij (BP), zit de boeren in Hollandscheveld, van wie boer Koekoek er één was, nog dwars.

Bij de herdenking, gisteren, werden de contouren van een nieuwe politieke partij zichtbaar, een boerenpartij die zich echter niet alleen op de boerenbelangen zal richten. In een raamloos kamertje van drie bij zes, onder het podium van Zaal Mol, hangt aan het begin van de avond een broeierige sfeer. Het vertrek staat stijf van de rook, uitgeblazen door boerenlongen.

Hoofdmissie van een nieuwe partij zal de omverwerping van het Landbouwschap moeten zijn, omdat die niet voor de boerenbelangen opkomt. “De misdaad aanpakken” is het tweede verkiezingsonderwerp, zegt D. Guichelaar, “want de mensen zijn het spuugzat, ook op het platteland. Guichelaar, krullend haar tot diep in de nek, in hemdsmouwen, zwart leren vestje en sjekkie in de hand, is de ontwerper van het gedenkteken dat de herinnering aan de Slag van Hollandscheveld levend moet houden: een zware kei op een stapeltje bakstenen langs de hoofdweg naar het dorp.

Politieke aspiraties heeft Guichelaar niet maar hij weet wel hoe de misdaad moet worden aangepakt. “Advocaten en psychiaters inbinden” is zijn advies. Advocaten gaan immers te ver in het verdedigen van mensen van wie vaststaat dat ze schuldig zijn aan misdaden. En psychiaters verklaren verdachten te pas en te onpas ontoerekeningsvatbaar. “Daar moet paal en perk aan worden gesteld. Hoe? “We zullen het verder uitzoeken, want wij zijn geen juristen.”

Motor achter de nieuwe politieke beweging waarvan de kiem in de voormalige veenkolonie ligt, is de Landelijke Vereniging voor Bedrijfsvrijheid in de Landbouw (BVL). De BVL telt ongeveer duizend boeren die zich verzetten tegen de heffing van het Landbouwschap.

Ruim dertig jaar geleden riep ook Koekoek, als voorzitter van de BVL en als Statenlid in Gelderland, boeren op geen heffingen aan het Landbouwschap te betalen. "Vrije boeren' in Drenthe, Zeeland, Gelderland, Overijssel en Utrecht gaven gehoor aan die oproep. Openbare verkopingen van roerende goederen bij boeren die hun heffing weigerden te betalen liepen uit op malle vertoningen. Voor een habbekrats kochten collega-boeren de spullen op om die voor een luttel bedrag weer aan de boer terug te verkopen. In Hollandscheveld liep het uit de klauw, omdat drie boerengezinnen hun woning, waarop beslag was gelegd, niet wilden verlaten. De veldslag die volgde vormde de voedingsbodem voor een grote Boerenartij. In 1967 haalde de partij zelfs zeven Kamerzetels.

In Zaal Mol loopt opnieuw een Koekoek rond, een neef van de voormalige voorman. Paul Koekoek zit in het bestuur van de BVL. Op de vraag of hij de politiek in wil, geeft hij een politiek antwoord: “Ik werk liever op de boerderij.” Paul, varkensfokker (“dus 't gaat niet zo best”) zegt geen ja en geen nee.

E.J. Harmsen, oud-Kamerlid voor de Boerenpartij - hij verdween na een scheuring in de partij van het landelijke toneel - waarschuwt de boeren die overwegen een politieke partij te beginnen. In het rokerige kamertje onder het podium zegt hij desgevraagd geen mensen te kennen die zo'n partij zouden kunnen leiden: “Ik zie ze nog niet.” Aan de voorwaarde van “goeie mensen en een goeie organisatie” is nog lang niet voldaan, weet Harmsen, tegenwoordig campinghouder in Hoenderloo. “Denk er niet luchthartig over en laat het geen luchtbel zijn die na een paar jaar uit elkaar spat. U weet waarop ik doel.” De programmapunten van de nieuwe beweging liggen hem wel, zo blijkt ook als hij een uur later, nu óp het podium, de honderden aanwezigen toespreekt. Vooral de misdaad zit hem "ontzettend' hoog: “Er vallen altijd nog meer doden door de criminaliteit dan door het Landbouwschap.”

Een van de boeren die dat graag mogen beamen is de bejaarde Klaas Hartman, de enige van de drie vrije boeren die destijds "met vuur en zwaard werden verdreven van huis en haard'. Hartman is vandaag de martelaar; in de nacht van 5 op 6 maart 1963, een halve dag na de ontruiming, ging zijn huis in vlammen op. De dader is nooit gevonden, maar de vrije boeren wijzen de beschuldigende vinger naar het Landbouwschap. Op de plek waar het drama zich in de strenge winter van '63 afspeelde onthulden Hartman en Harmsen het monument, "de Steen des Aanstoots voor het Landbouwschap'. Hartman stond daar weer met een alpinopet op zijn hoofd, precies zoals in 1963. En nog steeds bitter gestemd, omdat het Landbouwschap nooit excuses heeft aangeboden voor het ruwe optreden van toen.

Aan het eind van de dag zoeken de boeren hun weg naar huis, na een bijeenkomst die mede door de vertoning van ruisende radio-opnamen en zwart-witte televisiebeelden meer weg had van een reünie van oud-strijders dan de aanzet tot de oprichting van een nieuwe politieke partij. Onder de volle maan blijft het nog lang rustig in Hollandscheveld.