Kritiek raakt onze eigen rechtsregels

In NRC Handelsblad van 4 februari kritiseerde W.A. Wagenaar het voorstel van de commissie-Moons om verdachten die schuld bekennen via een snelle procedure te berechten. Op zijn bijdrage reageerden achtereenvolgens het lid van de commissie-Moons G.J.M. Corstens, P.J.P. Tak, (hoogleraar strafrechtsvergelijking) en A.J.M. Kaptein (officier van justitie). Vandaag nogmaals een weerwoord uit psychologisch- wetenschappelijk gezichtspunt.

Het minste verwijt dat mij in de reacties van de drie genoemde juristen werd gemaakt is dat ik het voorstel van de commissie-Moons in het geheel niet zou hebben gelezen. Maar ook wordt kwade trouw mogelijk geacht, of zelfs een soort samenzwering met lieden die Corstens mijn "trawanten' noemt. Een dergelijke reactie verbaast me. Hebben de leden van de commissie-Moons die minderheidsrapporten hebben geschreven waarin ze zich evenzeer tegen het voorstel keren, misschien ook het voorstel niet gelezen? Zijn zij ook vervuld van kwade trouw; zijn zij wellicht mijn "trawanten'? Of is het verschil alleen maar dat ik kritiek geef op andere dan zuiver juridische gronden? Kunnen de rechtsgeleerden geen kritiek van buiten velen? In dat geval dienen ze zich te realiseren dat ze rechtsregels voor ons maken, en dat wij het volste recht hebben die regels kritisch te bekijken.

Niet bekend

Mijn tegenstanders bedienen zich hier van twee argumenten die tezamen vals klinken. Aan de ene kant wordt ons bezworen dat rechters door blijven gaan met bekentenissen volledig te onderzoeken; aan de andere kant wordt gezegd dat rechters allang bekentenissen gebruiken om snel tot een oordeel te komen, zodat het slechts gaat om een sanctionering van de bestaande praktijk.

De empirische vraag naar de diagnostische waarde van bekentenissen speelt een sleutelrol in deze kwestie. Als bekentenissen diagnostisch zijn, mogen ze wat mij betreft snel tot een rechterlijke overtuiging leiden; zonodig zelfs via een speciale procedure. Maar de aangevoerde argumenten die mij moeten doen geloven dat bekentenissen diagnostisch voor schuld zijn, houden geen stand. Tak draagt aan dat er in de Scandinavische landen veel gewicht wordt gehecht aan bekentenissen en dat daarover weinig klachten zijn. Maar de relatie tussen klachten en diagnostische waarde is niet duidelijk. Bovendien weet ik niet wat in dit geval "weinig' betekent. Echte dwalingen komen niet vaker voor dan in een op tweehonderd zaken. Slechts een gedeelte daarvan heeft te maken met valse bekentenissen; en in die kleine groep zijn nog flink wat valse bekentenissen met opzet gedaan, zodat ze niet tot klachten leiden. Logisch gesproken kan een klacht alleen ontstaan wanneer een valse bekentenis pas na de veroordeling wordt herroepen. Dat moet wel weinig voorkomen, zelfs wanneer het probleem van valse bekentenissen aanzienlijk is.

Kaptein draait de zaak zelfs geheel om: omdat bekennende verdachten zelden worden vrijgesproken moeten we aannemen dat bekentenissen diagnostisch zijn. Ja, voor de daaropvolgende veroordeling, niet voor schuld. En Corstens geeft nog eens aan dat de commissie-Moons inderdaad te werk is gegaan zonder de empirie in aanmerking te nemen: het door mij genoemde getal van een op tweehonderd heeft wel degelijk betrekking op werkelijk dwalingen. Als hij van dat getal schrikt, is hij wel wat laat. De werkelijkheid is dat de commissie aanbevelingen heeft gedaan over de hantering van bekentenissen, zonder zich te bekommeren over hun diagnostische waarde. Maar de bewijslast ligt bij de commissie, niet bij mij.

Een niet ter zake doend argument is de positie van slachtoffers. Het zou in het belang van slachtoffers zijn om verdachten snel te veroordelen. Het is niet precies duidelijk welk belang slachtoffers daarbij hebben, zeker niet wanneer de kans op een onjuiste veroordeling wordt vergroot. In dat geval blijft de werkelijke dader rondlopen, die mogelijk weer nieuwe slachtoffers maakt. Als een snelle procedure werkelijk zo belangrijk is voor de slachtoffers, moet men toch ook eens denken aan een verhoging van het budget. Want mijn stelling dat strafrecht in Nederland op een koopje wordt bedreven, is nog niet weersproken.

Mijn inderdaad als prikkelend bedoelde voorstel om bekentenissen als bewijsmiddel te schrappen heeft niet de gruwelijke gevolgen die Kaptein schetst. Slechts bij een klein percentage van veroordelingen is de bekentenis van essentieel belang, in de zin dat zonder bekentenis geen veroordeling was gevolgd. Wald en zijn collega's (in de Verenigde Staten, maar is dat exotischer dan Taks IJslandse voorbeeld) hebben laten zien dat in slechts vijf procent van de gevallen naast de bekentenis geen ander bewijs gevonden kon worden. En juist over die vijf procent moeten we ons zorgen maken, omdat die bekentenissen mogelijk vals waren. Ik begrijp best dat mijn suggestie niet gemakkelijk kan worden opgevolgd, al was het maar doordat het begrip bekentenis in de wet niet duidelijk is gedefinieerd. Maar het vaststellen van regels voor de aanvaarding van bekentenissen als bewijs, behoort stellig wel tot de mogelijkheden. En dat is niet de richting die thans wordt ingeslagen.