In ex-Joegoslavië wordt de oorlog bezongen tot het niet meer kan; Why, why, we must fight...

Overal in ex-Joegoslavië zie je ze staan, de handelaren met cassettes met oorlogsmuziek.

Uit hun gettoblaster schallen strijdkreten, beledigingen aan het adres van de vijand, of leed over gevallen kameraden, vrienden, kinderen. Serviërs, Kroaten, moslims - maakt niet uit. Alle partijen hebben hun artiesten, tekstdichteres, officiële of illegale fabriekjes van muziekcassettes. Voordat verderf en armoede definitief toeslaan, verdient menigeen nog een paar centen met het bezingen van eigen leed, moed of gelijk.

Er zijn traditionele liederen - de in het naoorlogse Joegoslavië lange tijd verboden Kroatische of Servische strijdliederen uit de Tweede Wereldoorlog, van de "ustashi' (Kroatische fascisten) of de Servische cetniks. Maar meestal gaat het om de zogenoemde "nieuw gecomponeerde volksmuziek', al bezondigen ook popgroepen zich aan het oorlogsgenre. Op Radio Belgrado, Zagreb of Sarajevo zijn de liedjes een welkome afwisseling tussen onheilstijdingen en propaganda - en sommige zijn al echte hits geworden. Waarover zingt de stem des volks?

“Amerika, laat Servië met rust”, waarschuwt de Serviër Borislav Zoric. Net uit is de cassette en Bill Clinton kan wel inpakken: “Servië is klein, maar het weet oorlog te voeren. Waarom hebben de Serviërs geen gelijk, als ze in één staat willen leven?” Ook de internationale bemiddelaars Lord Owen en Cyrus Vance hebben er niets van begrepen. “Amerika u hebt Vance en Owen afgevaardigd om de waarheid te zien, maar zij begrijpen niet waarom het Servische volk ten oorlog tijgt.”

“Tijgt” - het gebruik van archaïsche woorden is kenmerkend voor veel Servische liedjes. Servische moeders, al of niet verscheiden, worden veelvuldig aangeroepen, zoals door een anonieme artiest uit Borovo Selo: “Als moeder de zwarte vlag wuift, als de adelaar krijst en het bos ademt (..) dan grommen de kanonnen tegen Osijek (een stad nog in handen van de Kroaten, red.)”

Uit het Bosnische Prnjavor, vast in Servische handen, komt "Drie broers', een popversie van een partisanenlied uit de Tweede wereldoorlog: “Drie broers gaan naar het slagveld, drie helden voor de vrijheid van het Servische volk.” Aan de meeste Servische liedjes is een zekere blijmoedigheid eigen, nauw verband houdend met het gevoel, een gerechtvaardigde oorlog te voeren: “Drie broers komen aan het front en alle ustashi vluchten en de Groene Baretten (moslim-strijders, red.) vliegen als vogeltjes over de (rivier de) Sava.”

Op dezelfde cassette, "De wolven grommen' geheten - met een spelfout want het cyrillische alfabet is in Prnjavor nog maar sinds kort in zwang - vinden we een ander typerend voorbeeld van Servische iconografie: het tedere gesprek met het persoonlijk wapen: “Mijn wapen met de drie magazijnen / ik draag je ook in vredestijd. / Serviërs weet goed: / bescherm je wapen als je moeder.”

Ook aan de Kroatische kant van het conflict komt moeder regelmatig ter sprake, zij het niet zozeer in affectieve zin de eigen moeder, alswel in beledigende zin de moeder van de tegenpartij. Wel heel bont maakt het de "UNPROFOR Big Band', een naar hun muzikaal jargon te oordelen Kroatisch orkest uit Slavonië. Servische leiders worden zonder uitzondering tot geslachtsverkeer met hun moeder opgeroepen, in bewoordingen die de cassette ongeschikt maken voor uitzending op Radio Zagreb.

Ook de moeders van Boutros-Ghali, secretaris generaal van de Verenigde Naties, en prominente leden van de vredesmacht van de VN zijn voor de "UNPROFOR Big band' niet veilig. De naam van het orkest mag dan ook niet zeker niet als een teken van bewondering voor de VN-militairen worden opgevat.

De Kroatische cultuur is minder eenvormig en meer regionaal bepaald dan de Servische, en het is dus moeilijker om de Kroatische bijdrage onder één iconografische noemer te brengen. De cassette "Kroatische strijders', bevat de grote hit "Een adder heeft mij gebeten'' van de tandeloze zanger Tomson, die aan de legale kopiën van zijn succes zoveel geld heeft overgehouden dat hij een vals gebit kon kopen en niemand hem nu meer leuk vindt. Er zijn veel recht-toe-recht-aan strijdliederen, zoals de mars "de HVO (het Kroatische leger in Bosnië-Herzegovina) leidt ons''. En een loflied op de neofascistische HOS-militie, met veel geknal en overvliegende straaljagers.

Een bepaald zeldzaam verschijnsel is de twijfel aan de oorlog in een bijdrage van de popgroep Daleka Obala uit Split, in het Engels nog wel: “Why, why, we must fight, every day and every night.”

De weemoedigste en meest poëtische bijdrage aan de muziek van deze oorlog komt zonder twijfel van de moslims in Bosnië. In een muzikaal jargon dat de sporen draagt van eeuwenlange Turkse beïnvloeding, zong men in Sarajevo en elders in Bosnië ook in vredestijd al graag over de onverhoedse dood van de geliefde, de ongenaakbare schoonheid der bergen en de uitzichtloosheid van het bestaan in het algemeen. De huidige omstandigheden hebben aan deze neiging duidelijk een nieuwe impuls gegeven. Het gaat veelal om voor Radio Sarajevo gemaakte opnamen, die door de makers van de illegale cassettes zijn gejat.

Waar in de Servische en Kroatische liederen veelvuldig aan vuurwapens wordt gerefereerd, mag van moslim-zijde vooral het mes zich in een grote populariteit verheugen: “Ik zal je aan mijn mes rijgen, Allah heeft het gewild, daar heb ik geen Thompson (een automatisch geweer) voor nodig.” Maar verwijzingen naar geweld zijn eigenlijk zeldzaam: “Hoe lang en eindeloos nog tot de lente / maar mijn bloed wordt niet koud. / Over Bosnië ligt witte sneeuw / ik kijk uit het raam en zeg: / Vergeef me, ik moet gaan”, zingt iemand op weg naar het front.

Bijna geen enkel liedje uit Sarajevo gaat rechtstreeks over de oorlog, laat staan dat de vijand wordt toegesproken. Bijna alle gaan over gevoelens, en profiteren van een rijke, eveneens Turks beïnvloede woordenschat voor de verschillende stadia van melancholie.

De popzanger Brano Likic heeft gedacht dat de dreigende verdwijning van deze zachtmoedige cultuur de buitenwereld mogelijk kan deren en wendt zich in het Engels tot ons: “Sarajevo is waiting.” Beloning zal niet uitblijven: “When the evening comes / and you lay down to rest / you can fall asleep / knowing that you've done your best.” Het valt echter te vrezen dat de onder begeleiding van een "saz', een traditioneel snaarinstrument, gesproken woorden van Seid Memic eerder waarheid worden: “Bosnië ik wil je nog één keer zien, wie weet wat er nog komt. Als we er niet meer zullen zijn, is er nog dit lied opdat onze kinderen niet vergeten.”