Bloedtransfusie in oude Oostblok in problemen

AMSTERDAM, 9 MAART. De bloedtransfusiediensten in de staten van het voormalige Oostblok verkeert in ernstige problemen. Dat blijkt uit een rapport van de Raad van Europa dat vandaag in Straatsburg wordt gepresenteerd.

Het rapport is gebaseerd op een onderzoek van professor dr. H.J. Heiniger van het Zwitserse Rode Kruis. Heiniger is lid van het "Expert Committee on Bloodtransfusion and Immuno-hematology' van de Raad van Europa. De Amsterdams professor dr. W.G. van Aken van het Centraal Laboratorium voor de Bloedtransfusie-diensten van het Rode Kruis deed eerder onderzoek naar de situatie in West-Europa.

Heiniger stelt in zijn rapport dat de voormalige Oostbloklanden er niet in zijn geslaagd de bloedvoorziening van weleer te handhaven. “De verandering van een totalitair regime en een centraal gecontroleerde economie naar een meer democratisch systeem, gebaseerd op de principes van een vrije markteconomie heeft een slecht effect gehad op het recruteren van donors”, stelt Heiniger. “Vroeger werd van donors "verwacht' dat ze bloed gaven en onder het toenmalige bewind deden ze dat dan ook. Tegenwoordig is een geheel andere benadering van potentiële donors noodzakelijk. Op steeds grotere schaal laten donors zich betalen”, stelt Heiniger.

Uit een eerdere rapportage van professor Van Aken blijkt dat juist betaald donorschap risico's met zich mee brengt. “Het zijn in het algemeen mensen die hard geld nodig hebben. Dat zijn dus veelal drugsverslaafden of alcoholisten en dat is nu juist een groep die we met het oog op de kwaliteit van het bloed liever niet hebben. Het is bekend dat onder deze groepen relatief veel infectie-ziekten voorkomen, zoals hepatitis-B, -C en aids. In het Westen wordt er daarom krachtig naar gestreefd te komen tot een niet-commerciële bloedvoorziening”, aldus Van Aken.

Het is Heiniger gebleken dat alleen in Roemenië wordt geprobeerd te komen tot onbetaalde bloeddonaties, maar dat in de andere voormalige Oostbloklanden nog geen strategieën zijn bedacht om dat streven te verwezenlijken.

“Een ander probleem”, zo stelt Heiniger, “is dat overheid en administratie niet langer strak centraal zijn geleid, maar meer decentraal opereren, waardoor de bloedbanken verregaand zijn gefragmenteerd. De prijzen voor bloed en bloedprodukten stijgen snel en staan in geen enkele verhouding meer tot een gezinsinkomen, waardoor verscheidene landen ook niet meer in staat zijn die in het buitenland produkten aan te kopen. Er zal dus alles aan moeten worden gedaan, dat deze landen in hun eigen behoefte aan bloed gaan voorzien”, aldus Heiniger.

Niet alleen de beschikbaarheid van bloed vormt een probleem in deze landen, ook de wijze waarop het wordt opgevangen en verwerkt. Zo wordt veelal nog met kwetsbare flessen gewerkt, waar in het westen al lang op verscheidene gronden voorkeur wordt gegeven aan plastic zakken, die een betere garantie geven voor onder meer steriliteit. Daarnaast zijn de meeste bloedbanken ook niet in staat om tot een goede "fractionering' van het bloed te komen. Dat is nodig voor het isoleren van bijvoorbeeld factor acht, die onontbeerlijk is voor hemofilie-patiënten.

Voor zover er sprake is van een redelijke bloedvoorziening maken verscheidene landen zich zorgen over de praktijken van commerciële bedrijven, die het nog resterende deel van de ooit goed gereguleerde voorziening definitief aan het wankelen brengen. Voorts is er behoefte aan gedegen nascholing van artsen en personeel bij de bloedbanken en strikte regelgeving door de overheid.

Uit de rapportage uit Albanië blijkt dat de overheid door de donors onder zware druk wordt gezet om de prijzen voor het bloed op te voeren. De donors komen uit het armste deel van de bevolking, een kwetsbare groep met het oog op infectie-ziekten. “Er is een ernstig tekort aan veilig bloed. Dat wil zeggen: bloed dat is nagekeken op de mogelijke aanwezigheid van ziektekiemen. Het is in Albanië nog altijd niet mogelijk alle bloed te testen op het aidsvirus (HIV) of hepatitis-B. Tegelijkertijd zijn vervangende middelen, zoals oplossingen van fysiologisch zout of plasma niet voorradig.”

De Baltische staten kampen vooral met een tekort aan kennis en financiële middelen. Bloedbanken worden geacht het zonder subsidies te kunnen stellen. Investeringen in vernieuwing, zoals het gebruik van plastic zakken, testmateriaal of apparatuur voor fractionering zijn vooralsnog niet mogelijk in bijvoorbeeld Letland. Er is een schrijnend tekort aan factor acht, waardoor hemofilie-patiënten voortdurend gevaar lopen.

Bulgarije kampt met een zo groot tekort aan donors, dat ziekenhuizen wel moeten betalen om met name de hartchirurgie op peil te houden. Factor acht moet in het buitenland worden gekocht bij commerciële bedrijven.

Tjechië en Slowakije hebben op het ogenblik net als Polen vooral behoefte aan bijscholing van artsen en personeel. Hongarije wil hulp bij het opzetten van een adequaat financieringssysteem.

De problemen in Roemenië zijn gecompliceerder. Heiniger stelt dat de technologie waarmee wordt gewerkt volstrekt uit de tijd is, dat er nog altijd uitsluitend met flessen wordt gewerkt, dat de zorg volledig afhankelijk is van betaalde donors en dat alle initiatieven voor verandering op weerstand stuiten. Er bestaat voorts een gebrek aan politieke wil en er is geen enkele systeem voor kwaliteitsbewaking. “De artsen kunnen niet aanvaarden dat er daar anno 1992 nog altijd geen methoden voorradig zijn om bloed te testen en geen factoren om hemofilie-patiënten te behandelen. Eén van de grootste problemen is verder het gebrek aan communicatie. De centra zijn erg geïsoleerd en faxmachines zijn er niet. De technologie waarmee wordt gewerkt ligt ver beneden het niveau dat in het Westen acceptabel is.”

Heiniger meent dat Westerse landen snel te hulp moeten komen bij het opzetten van wettelijke regiems voor bloedvoorziening in de voormalige Oostblokstaten. Verder moet op korte termijn worden gekomen tot het vernieuwen of verbeteren van apparatuur en materiaal. Er moet hulp worden geboden bij training van personeel dat is betrokken bij de bloedvoorziening en vooralsnog moeten de landen die zijn aangesloten bij de Raad van Europa proberen essentiële bloedprodukten aan deze landen te leveren.