Belangenstrijd over bodemsanering

Moet de bodem onder een autosloperij zo schoon zijn dat kinderen er zonder gevaar voor hun gezondheid kunnen spelen? Over deze en andere vragen over vervuilde grond buigt de Tweede Kamer zich vanmiddag en morgen bij de behandeling van de Wet Bodembescherming.

DEN HAAG, 9 MAART. Het was aan het einde van de jaren zeventig dat Nederland voor het eerst opschrok van een ernstig geval van bodemverontreiniging, onder een woonwijk nog wel. Toen vervolgens uit inventarisaties bleek dat bodemverontreiniging wel eens een omvangrijk milieuprobleem kon zijn, werd Lekkerkerk het symbool van de vervuiling van de Nederlandse bodem - al dan niet in alle onschuld door bedrijven veroorzaakt.

De uitbreiding van de Wet Bodembescherming met een saneringsregeling, vanmiddag en morgen door de Tweede Kamer te behandelen, vindt zijn oorsprong in de affaire-Lekkerkerk. Omdat de sanering van de bodem volgens de toenmalige minister Ginjaar (milieuhygiëne) snel moest worden aangepakt, verdiende een Interimwet in zijn optiek de voorkeur boven een saneringsparagraaf in de Wet Bodembescherming, die toen net bij de Tweede Kamer werd ingediend. De behandeling van die wet zou naar verwachting veel tijd in beslag nemen, terwijl de saneringsparagraaf inmiddels door de feiten was achterhaald. De Interimwet over bodemsanering werd in 1983 van kracht.

Toch is de saneringsregeling in de Wet Bodembescherming die de Tweede Kamer nu behandelt meer dan een formele inhaalmanoeuvre, bedoeld om de Interimwet te vervangen. Niet voor niets bestoken werkgeversorganisaties, verzekeraars, gemeenten en beleggers in vastgoed de Tweede Kamer al enkele maanden met brieven waarin afwisselend verontwaardiging en ongerustheid de boventoon voeren. Twee punten keren hierbij steeds terug.

In de nieuwe saneringsregeling is het criterium voor sanering, zoals dat was geformuleerd in de interimwet, aangescherpt. In plaats van alleen te moeten saneren in het geval van "ernstig gevaar voor de volksgezondheid of het milieu', moeten bedrijven dit nu ook als er een grote kans is op "vermindering van de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft'. Een vervuild terrein moet niet alleen ongevaarlijk, maar ook weer voor alle doeleinden geschikt worden gemaakt.

Het bedrijfsleven verwacht door dit nieuwe criterium een grote toename van het aantal vervuilde terreinen, dat momenteel op 100.000 wordt geschat. In een stelsel van uitzonderingen op de regel van de "multifunctionele bodem' dat Alders wil, ziet het niets. “De financiële lasten die voortvloeien uit het moeten voldoen aan de regel zullen zo groot zijn, dat het beroep op de uitzondering algemeen zal zijn”, liet het KNOV vorige maand weten.

Het tweede punt betreft de kosten van de bodemsanering, naar schatting vijftig miljard in de komende 25 jaar - al gaan sommige berekenaars, zoals de beleggers in vastgoed, uit van ten minste het dubbele bedrag. In de nieuwe saneringsregeling kunnen bedrijven te allen tijde verantwoordelijk worden gesteld voor de kosten van de sanering, ook als de verontreiniging dateert uit de pre-Lekkerkerkperiode. Als het vervuilde terrein inmiddels in andere handen is overgegaan, komen de saneringskosten bij het in gebreke blijven van de vervuiler voor rekening van de nieuwe eigenaar van de grond.

VNO-voorzitter Rinnooy-Kan, die deze bepalingen “onredelijk” noemt en vermoedt dat ze zijn “ingegeven door de budgettaire toestand” van het rijk, wees er enkele weken geleden fijntjes op dat een bedrijf dat is gevestigd op het terrein van een voormalige gemeentelijke gasfabriek, straks misschien moet opdraaien voor door de overheid veroorzaakte bodemverontreiniging. Pikant detail hierbij is dat de provincie, die in de nieuwe saneringsregeling meer bevoegdheden krijgt, in geval van een weigerachtige eigenaar kan overgaan tot een "saneringsbevel'.

Volgens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de beleggers in vastgoed heeft de nieuwe saneringsregeling grote gevolgen voor de bouw. “De financiële haalbaarheid van stadvernieuwingsplannen komt onmiddellijk in het geding”, stelt een onderzoek in opdracht van de beleggers. De VNG, die vorig jaar haar ongerustheid uitsprak in de notitie "Bodemsanering: eenheidsworst of maatwerk', vindt dat er onderscheid zou moeten komen tussen de sanering van natuurgebieden en die van steden. Ook hebben de gemeenten bezwaar tegen de zogeheten "vrije woonkeuzeregeling', die inhoudt dat zij huizen zullen moeten opkopen die wegens bodemverontreiniging op de vrije markt onverkoopbaar zijn.