Achter je rug

Vijf ransuilen op de Potterskade, meldde ik gisteren. Dat klonk gedecideerd, maar zo was het niet. Ik had een indruk van velduilen en achteraf begrijp ik wel waarom. Dat lag aan het moment van de dag. Vliegende uilen bij daglicht, dan heb je de reflex: velduilen.

Nu wist ik best dat velduilen, op deze plek, in deze aantallen, onwaarschijnlijk waren. Maar je ziet wel vaker iets onwaarschijnlijks. In 1987 in de Pyreneeën, gieren die aan een nog niet helemaal dode koe begonnen waren - dat gelooft niemand en dat hoeft ook niemand te geloven, dat heb ik gezien. Het onwaarschijnlijke behoeft alleen meer zekerheid.

Dus deed ik mijn best om me het oorspronkelijke beeld van die uilen voor de geest te halen. Wat had ik gezien voordat ik begon na te denken over wat ik had gezien? Vijf uilen vijf kansen, zou je zeggen. Maar in tegendeel. Mijn ogen waren van de ene naar de andere gevlogen en toen ze weg waren, waren ze weg, alle vijf.

“Als je twijfelt”, zei een vriend van me, “moet je braakballen zien te vinden.” Die van de velduil wijken nogal af.

Terug naar de Potterskade. Ik zit op mijn hurken, speur de grond af en krijg het gevoel dat een stel uilen me op mijn vingers kijkt, het oer-gevoel als je op vogels uit bent: dat ze achter je zitten. En dan kun je omkijken, maar dat helpt niet.