Ware liefde (5)

Ik woonde een tijd in een kleine kustplaats aan zee. Daar woonden ook Ans en Nel, twee vriendinnen voor het leven.

Ze kwamen geloof ik uit het antroposofisch onderwijs of uit de vrije-schoolsfeer. Twee lieve, idealistische, gepensioneerde vrouwen, die een soort Ploegstofachtig huis bewoonden waar het naar muesli, rozijnen en gedroogde appels rook. Ik was vaak heel eenzaam in die tijd. Een beetje zelfmedelijderig, wat iedereen wel eens doormaakt en waar ik af en toe met heimwee aan terugdenk, omdat ik langzamerhand in de gaten krijg dat bepaalde gevoelens bij een bepaalde leeftijd horen en dat die nooit "weerommekomen'. Misschien omdat ik geen grootmoeder heb gekend, die waren allebei al gestorven voor ik geboren werd, kun je nagaan, oefenen oudere vrouwen af en toe een grote aantrekkingskracht op me uit. Dames van mijn eigen leeftijd boezemen me soms angst in en in de aanwezigheid van jongere vrouwen voel ik me vaak hulpeloos. Daar kan ik verder ook niks aan doen. Bij mij in de buurt woont een mevrouw van over de tachtig. Heel kordaat en kwiek. Een mooie Amsterdamse, die me op straat zomaar een arm geeft en me tegen zich aandrukt, een stuk met me oploopt en me een kanjer noemt. 's Ochtends vroeg, op weg naar de bakker, krijg ik bijna tranen in mijn ogen van geluk, echt waar.

Ik zat alleen in een flat met uitzicht op zee. Een geweldige hoeveelheid water zonder ook maar één boot. Het was in die gure winter van 1959 dat ik het daar een hele winter moest volhouden. Soms zag ik die rotzee trouwens helemaal niet, zoveel sneeuw en ijs zat er op de ramen vastgevroren.

Als ik het daarboven niet meer uithield, liep ik bij Ans en Nel langs. Dan zei Nel: “Heb je al gegeten?” En dan zei Ans: “Al zou hij gegeten hebben, honger heeft hij nog steeds want jongens van zijn leeftijd hebben altijd honger.”

Even later zaten we aan de ronde Deense eettafel onder een vierkante lamp van vurehout met jute gordijntjes eraan uit een Römertopf iets vegetarisch met kaas en paddestoelen te eten. (Paddestoelen zelfgezocht en gedroogd. Eigengemaakte vlierwijn erbij was goed tegen nierstenen en voorkwam te veel kalkvorming en tandsteen.)

Ans en Nel waren al veertig jaar samen. “Ze kwam bij ons op school, Nel. Zo, vers van de kweekschool. 't Was meteen liefde op het eerste gezicht, hè Nel? We hebben ook niks tegengehouden. Tussen de middag gingen we samen in het koffiehuis, met dat rooie mens - weet je nog Nel? - onze boterhammen opeten. 's Avonds lagen we bij elkaar in bed. Krijgt ze nog steeds een kleur van, maar ze is nooit meer weggegaan, mooi niet hè, Nel?”

“Ik zou niet durven bij deze kou. Ja, in de oorlog, toen ze moest onderduiken, moesten we uit elkaar. Vreselijk. We woonden in Amsterdam. Ik heb hemel en aarde bewogen dat ik bij haar mocht komen, maar dat ging niet. Een héél enkele keer konden we elkaar zien. Meer niet. Ze is weggelopen. Ze wilde naar mij. Zonder ster in de tram. Zonder papieren. Daar hebben ze haar opgepakt. Ik dacht dat ik gek werd. Ze was al drie dagen weg. Ik naar het Centraal Station. Achter, bij de goederentreinen. Langs een gaashek. De goederenwagons waren open. Stampvol joden. Daar zie ik Ans in de trein. Ze ziet me niet, want ze is kippig. Ik loop een hek door. Daar staat een Duitser. Hij zegt niks. Ik langs de wagons. Kom mee Ans, zeg ik. Ik haal haar zo die trein uit. Ze had niks bij zich. Ze was immers zo maar weggelopen. Wij het wachthuisje langs. Stevig gearmd. Die Duitser zegt weer niks. Ans zegt dat God ons onzichtbaar heeft gemaakt, dat kan best eens waar zijn. Toen zijn we lekker samen ondergedoken.”

Jaren geleden ben ik weer eens aan zee. Ik hoor dat Nel een paar weken daarvoor is overleden. Als ik Ans opzoek, zit ze met een vreemde meneer aan de tafel onder de gordijntjeslamp. Een roodbehuild gezicht. Nooit zag ik zo'n behuild gezicht.

“Je hebt het gehoord, hè jongen? Ze zat hier naast me. Veertien dagen geleden nog. En weg was ze. Geen woordje, de schat. Ik ga me doodjanken.”