Vorige week

Toen het nog koud was. Ik had een ochtend vrij. Mijn stukje voor die dag was af en voor de volgende twee, drie dagen wist ik al wat het worden moest. Zonder opzet liep ik op de Potterskade, een smalle ruigte tussen een boomgaard die wordt gerooid en weiland dat wordt omgeploegd.

Rekel was een meter of twintig voor me uit en stiet een uil op. Geruisloos vloog de vogel om me heen. Hij verdween in het groen van een rijtje sparren.

Een paar stappen verder: nog een uil! En een derde, een vierde, een vijfde.

Het waren ransuilen. Ze leken sprekend op elkaar. Als ze wat meer tussenruimte hadden genomen, had je gedacht dat het er één was.

Een eindje verderop bleef ik een tijd staan kijken naar werkzaamheden die worden verricht voor de aanleg van een woonwijk annex natuurgebied. Oeroude kleiformaties worden binnenstebuiten gekeerd, op piepkarren gehesen en afgevoerd.

Daarna terug. Normaal gesproken zou je een andere route nemen om die uilen met rust te laten, want dat hebben ze nodig. Maar de kade laat geen keus, onverbiddelijk heen en weer.

Er kwamen er drie tegelijk op me af, één links, één rechts en de derde in het midden. Ze keken me diep in de ogen. De uilen dacht ik, vliegen je om de oren.

Zoiets gebeurt dan zomaar, zonder noodzaak, een aardigheidje.