Onvermoeibaar chroniqueur van de Nieuwe Tijd; Profiel van SIMON VINKENOOG

Woensdag krijgt Simon Vinkenoog de eerste Johnny van Doorn-prijs, voor zijn gehele oeuvre, tijdens literatuurfestival De Wintertuin in Arnhem. De 64-jarige schrijver deed in de jaren vijftig van zich spreken met vernieuwend proza en experimentele poëzie. Na zijn LSD-avonturen in de jaren zestig werd hij een bijna folkloristische figuur, een psychedelische zendeling voor iedereen met interesse in kosmisch bewustzijn. “Deze man is oeverloos”, zegt zijn huidige vrouw, Edith.

Simon Vinkenoog rolt een sjekkie van tabak en wiet. Hij loopt rokend naar het raam. In de vensterbank staat de verrekijker waarmee de Vinkenogen vanuit hun tweekameretage aan de Sarphatistraat de omgeving in de gaten houden. “Amerikaanse schrijvers lopen toch ook met een recordertje rond?”, grijnst Vinkenoog. “Als ze een interessante conversatie horen zetten ze hem aan, en hup: daar is weer een boek.”

De nu 64-jarige Simon Vinkenoog schreef ruim vijftig boeken, weet Edith Ringnalda (38), zijn zesde echtgenote, die hij in 1987 leerde kennen. “Deze man is oeverloos, een homo universalis.” “Ja, de Vliegende Hollander”, vult Vinkenoog aan. Hij schatert het uit. Zijn jongste werk - en, zegt Edith, “zijn meesterwerk” - is Louter Genieten, een groot formaat, luxe uitgegeven verzameling van pasteltekeningen en teksten over beeldende kunst. “Ik ben een laatbloeier”, zegt Vinkenoog. “Of eigenlijk een altijdbloeier. Ik ben gesnoeid geweest - als een plant - en nu kom ik weer: eindelijk vlinder! Op naar de volgende mutatie.”

De volksjongen uit de Amsterdamse Pijp heeft zich ontpopt als experimenteel schrijver, redacteur van de Haagse Post, goeroe van de psychedelische beweging en smaakmaker van de performance poetry. “Simon is de spil van alternatief Nederland”, zegt Luc Sala van het bedrijf EgoSoft, dat handelt in New Age-parafernalia als "bewustzijnsverruimende soft ware' en "brain-machines'. “Hij is een godfather, hij kent iedereen”, aldus Sala. “Een perfecte networker: iemand die ideeën doorgeeft en mensen met elkaar in contact brengt. Mijn theorie over deze wereld is dat we naar global tribes gaan - en Simon heeft al een stam om zich heen.”

In het Noordhollandse dorp Ruigoord, een hippe krakers-kunstenaarskolonie, is Vinkenoog een graag geziene gast. Sala bezocht er onlangs een happening: “Vierhonderd man die uit hun dak gaan als hij optreedt, fantastisch! Er gebeurt iets! Geen afstand nemen, er head on ingaan! Ik zie een rolmodel in hem: gòòh, kon ik maar zo gemakkelijk zijn.” Volgens Sala heeft Vinkenoog, met zijn wereldbeeld van astrologie, mystiek, drugs en magie “zijn tijd weer mee”. Al staat hij wat gereserveerd tegenover de geestverruimende mogelijkheden van computers en virtual reality. “Af en toe leg ik hem wel wat uit”, zegt Sala, “maar het is niet echt zijn stijl.” Thuis wordt dat door Vinkenoog beaamd. “Boeiend maar vermoeiend, dat soort dingen. De hersenen zijn geen machine, maar een waanzinnig levend organisme. Trust your inherent machinery.”

Afkeer van de Hollandse gezapigheid, le calme plat zoals hij zegt, dreef de 20-jarige Vinkenoog na vier jaar MULO in september 1948 naar Parijs, voor een baantje op de documentatie-afdeling van UNESCO. Daar maakte hij het experimentele blad Blurb. Gelijktijdig waren Remco Campert en Rudy Kousbroek in Amsterdam bezig met het al even experimentele Braak. Een ontmoeting was snel geregeld. Kousbroek: “Hij zat in een café aan het Leidseplein, met een ring met de letters "SV' erop. Onmiskenbaar.” Campert: “Het was meteen herkenning: het dissidente, het surrealistische. En Simon wist ook altijd alles - toen al.”

Vinkenoog debuteerde met poëzie, Wondkoorts (1950), en proza, Zolang te Water (1955), een verhaal over gekwelde jeugd, in de pers afgedaan als “aanstellerij” maar ook geprezen als “een document van uitzonderlijke waarde”. De schrijver bleek een begaafd verbindingsman, die zijn vrienden Kousbroek en Armando binnenhaalde bij de Haagse Post, waar hijzelf vanaf 1957 werkte. Het was de tijd van jazz, de beat-generation en al snel: marihuana en LSD. De Amerikaanse dichter Allen Ginsberg, die Vinkenoog in 1957 ontmoette: “Simon was onze gids in Amsterdam, hij was toen al een veteraan van de poetry-explosion. Wij waren met hetzelfde bezig: op zoek naar een post-atomic awareness van onze plaats in de kosmos. Poets in vast space.”

Een verwijdering met enkele van zijn Nederlandse vrienden volgde. Met Rudy Kousbroek, wiens werk ontbrak in Atonaal, de baanbrekende bloemlezing die Vinkenoog in 1951 maakte van de Vijftigers. “Ik vond dat vervelend”, zegt Kousbroek. “Maar de suggestie dat ik het dáárom met Simon oneens zou zijn, is uit de lucht gegrepen. Wat hem apart zette was het zoeken naar hogere waarheden. Daar heb ik nooit iets in gezien.” En ook met Remco Campert: “Hij kwam in heel andere circuits terecht, LSD-toestanden. Dat heb ik van veilige afstand gadegeslagen. Simon heeft toen afscheid genomen van een manier van schrijven die de mijne is, meer literair.”

LSD, zegt Vinkenoog, is een van mijn grote ervaringen geweest, “met het einde van de oorlog en mijn eerste orgasme”. In 1959 kreeg hij het middel in het Amsterdamse Wilhelmina Gasthuis voor het eerst toegediend, als vrijwilliger in een onderzoek van J.Th. Barendregt en F. van Ree. Vinkenoog: “Afijn, dat heb ik al vaak verteld: ik ging terug in mijn moeder. Werd herboren. Einde moederbinding.” Van Ree schreef er een proefschrift over, Experimenteel psychopathologisch onderzoek van de reacties op lsd-25. “Achteraf een heel slecht proefschrift”, zegt de psychiater nu. “Methodologisch rammelde het aan alle kanten, maar dat geldt voor de meeste proefschriften uit die tijd.” Of het middel Vinkenoog heeft gestimuleerd kan hij niet beoordelen. “Maar ik heb wel eens een lezing met hem gegeven en toen dacht ik: ja, hij heeft er toch wel iets aan gehad. Alleen, die quasi-filosofische cult met mensen als Timothy Leary, dat heb ik altijd doordravende onzin gevonden.”

Vinkenoog dook onder in de psychedelica, wat onder meer zijn neerslag vond in het 500 pagina's dikke Liefde (1965), gepubliceerd na een verblijf in het Utrechtse huis van bewaring, wegens marihuanabezit. Filmer Louis van Gasteren, die met hem een in Liefde beschreven reis "op mescaline' maakte naar Parijs: “Hoeveel mensen leven er niet op wier graf alleen maar hoeft te staan: "ja, wij waren er'? Maar Simon heeft er iets van gemáákt, vanuit die Govert Flinckstraat, begiftigd met zijn intellect en zijn lot, dat enorme karma.” Vinkenoog “heeft barricadewerk gedaan”, aldus Van Gasteren. “Maar hij is ook altijd de jeugdige barricadist gebleven en dat is mijn kritiek op hem: het snelle, het haastige. Ik vond Liefde geen rijpe weergave van het ongehoorde dat we hadden meegemaakt. Dat heb ik hem gezegd en toen hebben we elkaar jaren niet meer gesproken.”

Een andere kennis uit die tijd, kunstschilder Aat Veldhoen: “Het was een wilde tijd. Simon heeft voor me genéukt in mijn atelier met zijn toenmalige vrouw Reineke. Dat heb ik ook altijd het leuke van hem gevonden: zijn vrolijke, vrije, toegankelijke geest. Hij is een opportunist, in de goeie zin van het woord: van elke situatie iets maken.” Veldhoen beschouwt zichzelf als een “levensdiepe vriend” van Vinkenoog. “Ik ben wel realistischer geworden. Je kunt heel wat kanttekeningen plaatsen bij het evangelie van meneer Leary. Ik vind bijvoorbeeld dat je je medemensen een beetje moet beschermen, en ik heb toen echt mensen stuk zien gaan. Alleen de sterken konden doorgaan - en daar hoorde Simon bij.”

In 1970 publiceerde zijn oude vriend Rudy Kousbroek Het avondrood der magiërs, een scherpe polemiek met het “moderne bijgeloof”. Kousbroek: “Dat boek was in zekere zin een reactie op wat ik van Simon onder ogen kreeg. Hij had de neiging anderen voortdurend materiaal te sturen, anders had ik die flauwekul waarschijnlijk nooit doorgebladerd.” Ooit stuurde Vinkenoog hem LSD. “Dat heb ik braaf geslikt en ik vond het een vervelende en niet bijster interessante ervaring. Dus geloofde Simon niet dat ik het echt had geprobeerd en later kreeg je die verhalen van: sommige mensen zijn niet te helpen. Tja, met een ander soort instelling was ik wellicht het huis uitgerend, roepend dat ik het Licht had gezien. Zo gaat het met dat soort middelen: er komt alleen uit wat je er zelf in stopt.”

Na de tumultueuze jaren zestig en zeventig werd het stiller rondom Vinkenoog. Hij legde zich toe op vertaalwerk van esoterische literatuur, publiceerde dagboekaantekeningen en gedichten - maar erkenning bleef veelal uit. Benn Posset, jarenlang organisator van One World Poetry: “Hij is vooral een anekdotische dichter en dat is hem op een gegeven moment opgebroken, toen zat er weinig vernieuwing meer in. Begin jaren tachtig gingen ze als een stoomwals over hem heen. De generatie die toen over de subsidies ging, moest niks van hem hebben: niets gemakkelijker dan even Simon doorstrepen.” Zijn werk werd in de kritieken nauwelijks meer opgemerkt. “Simon-is-nooit-echt-doorgebroken”, scandeert Van Gasteren. “Hij is scripties blijven schrijven, maar waar blijft de dissertatie?”

Aat Veldhoen maakte Vinkenoog mee in de moeilijke jaren na de scheiding van zijn toenmalige vrouw Barbara. “Hij was toen echt wanhopig zoekend in de stad. Ik herkende dat. Dat is weer een overeenkomst tussen ons: vrouwen hebben hem tot de rand van de afgrond gebracht en vrouwen hebben hem - zoals Edith nu - gered. En je kunt toch beter gered worden door een vrouw dan door een drug.” Remco Campert: “Simon is een overlevingskunstenaar. Hij komt er altijd weer bovenop. Ongebroken.”

Zijn ontmoeting met Edith Ringnalda in 1987 betekende nieuw elan. Hij stortte zich enthousiast op zijn voordrachten en lezingen (“tweehonderd per jaar”, zei hij in 1988). Posset: “De absolute verdienste van Vinkenoog is dat hij de poëzie weer populair heeft gemaakt, met zijn enthousiasme, zonder maar een moment moeilijk te doen over geld, al had hij het nooit breed.” Allen Ginsberg: “Amsterdam heeft nu de meest gastvrije poetry-scene van Europa en dat is zeker ook Simons werk. Voor mij is hij familie, ik heb een poetry-spiritual-fun-generational band met hem.”

Ook bleef Vinkenoog, onder meer als redacteur van het tijdschrift Bres, onvermoeibaar als chroniqueur van de Nieuwe Tijd. Rudy Kousbroek: “Hij is altijd blijven zoeken, dat vind ik jammer. Om drie redenen: ik vind dat je de wereld wel mag bedriegen, maar niet jezelf. Twee: geestelijke luiheid is de grootste zonde. En drie: het is een verspilling van talent. Had hij maar enige vorm van strengheid kunnen vinden om ergens aan te werken, in plaats van al die gemakzuchtige psychedelische ontdekkingsreizen. Wat me verdriet is de onbeduidendheid ervan.” Kousbroek ziet Vinkenoog nog “sporadisch”. “Bij Remco zag ik hem op televisie en ja, daar zit je dan toch met een zekere ontroering naar te kijken. Dan zegt hij ook wel weer amusante en inspirerende dingen. Legde hij zich daar maar eens op toe.”

Thuis steekt Simon Vinkenoog nog een rokertje op. Voor hem ligt een lijvige doctoraalscriptie uit 1992 over zijn werk. “Er zitten zoveel lagen in zijn werk”, zegt zijn vrouw Edith. En een nieuwe roman? “Ach, ik heb nog zoveel ongepubliceerde boeken. Laat daar eerst maar een uitgever voor komen”, zegt Vinkenoog. Edith: “Simon is ook nog geen negentig! Tegen die tijd kan hij altijd nog huiselijk gaan zitten schrijven. De beste jaren komen nog.”