Nantes toont de Russische avantgarde

"L'avantgarde russe, 1905-1925. Chefs-d'oeuvre des musées de Russie'. Tot 18 april in Musée des Beaux-Arts, Nantes. Catalogus FF 295, 288 blz.

NANTES, 8 MAART. Aan de Russische avantgarde tussen 1905 en 1925 is een mooie, maar vooral originele tentoonstelling gewijd in het Museum van de Schone Kunsten in Nantes. Ze omvat ruim tachtig schilderijen van Russische kunstenaars waarvan het merendeel nooit eerder is tentoongesteld, ook niet in Rusland zelf. Er zijn werken bij van erkende "groten' als Kandinsky en Malevitsj, maar ook van een kleine dertig andere schilders die de eerste twee decennia na de Revolutie van 1905 een rol speelden in de artistieke revolutie die zich destijds in Moskou en Sint Petersburg voltrok.

De tentoonstelling is wellicht minder representatief voor de Russische avantgarde dan De Grote Utopie die in Amsterdam, Frankfurt en New York te zien was, maar ook in Nantes is het verrassend kennis te maken met werken die jaren achtereen een sluimerend bestaan leidden in de museumkelders van Russische provinciesteden als Nizjni Novgorod, Astrachan, Toela, Samara, Jaroslavl.

Het is aan een initiatief in de beste tradities van deze oude havenstad te danken dat Nantes een hernieuwde kennismaking met de Russische avantgarde mogelijk maakt. Conservator Henry-Claude Cousseau bezocht in 1990 het restauratie-atelier van de Hermitage in Sint-Petersburg en zag daar tot zijn verbazing het schilderij Venus katsap van Larionov, een van de helden van de Russische avantgarde. Dit doek, een van de mooiste dat nu in Nantes te zien is, bleek afkomstig uit het plaatselijke museum in Nizjni Novgorod dat nog meer werken van de avantgarde uit het begin van deze eeuw bleek te bezitten.

Vervolgens bleek dat ook andere steden tussen 1918 en 1920 doeken van avantgardisten uit Moskou en Sint Petersburg toegewezen hadden gekregen om in het kader van de "revolutionaire politiek' de bevolking te laten kennis maken met artistieke vernieuwing. In totaal ging het om twaalfhonderd werken die over dertig steden werden verspreid. Ze moesten na 1923 de kelders in, waar ze zowel Stalin, Hitler en Brezjnjev overleefden, tenminste voorzover ze niet verdwenen, verpatst of weggegeven werden. De Texaanse oliemiljardair Armand Hammer kreeg ooit twee werken van Malevitsj in ruil voor een manuscript van Lenin met wie hij bevriend was.

De expositie in Nantes is vooral origineel omdat ze getuigt van de enorme diversiteit in het werk van de Russische experimentele schilders die voor de Eerste Wereldoorlog veel reisden, vooral naar Parijs. Elke vernieuwing - kubisme, futurisme, symbolisme en het Duitse expressionisme - volgden ze gulzig na. Behalve doeken van Malevitsj, Rodtsjenko en Kandinsky en "erkende' pioniers als Gontsjarova en Larionov, die allen op hun manier een belangrijke rol in de ontwikkeling van de kunst vervulden, zijn er ook werken van meer anekdotische betekenis, zoals twee vroege stukken van de Pool Strzeminski en een mooi stilleven van de "cézannist' Alexander Koeprin, die zich na 1925 aan de gevestigde orde aanpaste en in 1960, rijk gedecoreerd, op tachtigjarige leeftijd overleed.

Dankzij de leerzame bijdragen van drie buitenlandse deskundigen - de Brit John Milner en de twee Russische kunsthistorica's Svetlana Djafarova en Elena Basner - gaat de bijbehorende catalogus niet gebukt onder een overdaad aan breed geëtaleerde eruditie, zoals vaak in Frankrijk het geval is. Eén vraag wordt in deze bijdragen niet behandeld: wat is de verklaring voor het grote aantal vrouwen dat tot deze Russische avantgarde behoorde en die soms, zoals Gontsjarova, een leidende rol speelden? Deze Russinnen waren hun tijdgenotes in andere Europese landen, zoals Frankrijk, ver voor.