Kohl en SPD lijken al tot elkaar veroordeeld; Engholms sociaal-democraten praten nu openlijk over vervanging van de leiding

In Europa is in korte tijd veel veranderd, de vanzelfsprekendheden van het Oost-Westconflict van gisteren hebben plaatsgemaakt voor grote onzekerheden. In Oost-Europa is alles nieuw en ongewoon. Maar ook in de verzorgingsstaten, landen van de Europese Gemeenschap, eisen nieuwe vragen een nieuwe politiek, dat is in, zeg, Groot-Brittannië, Frankrijk en Nederland niet anders dan in Duitsland. De "politiek' is in de jaren tachtig met kracht geweken, van hun kant hebben veel kiezers dat ook gedaan, zodat bestuur en burgers nu op een ongewoon grote afstand van elkaar zijn geraakt.

Wie de Britse premier John Major óók ziet als de voortzetting van Maggie Thatcher met hier en daar andere middelen en wie zich realiseert dat de heren Mitterrand en Lubbers hun tienjarig jubileum als president en premier ook al achter de rug hebben, kan zich afvragen of zij nog genoeg overtuigingskracht en creatieve ruimte hebben om nieuwe antwoorden te vinden en ook ingang te doen vinden bij grote delen van hun bevolking.

Wat hen, en andere Europese politieke chefs, verbindt is dat de oppositie in hun landen eigenlijk meer met zichzelf in de weer is dan met het ontwikkelen van meeslepende of desnoods alleen maar opzienbarende alternatieven. De grote politieke misère overschrijdt als het ware de politieke verschillen tussen de partijen nog. Want wat alle Westerse democratieën lijkt te verbinden is de apathie, de algemene mismoedigheid of indifferente opstandigheid van grote bevolkingsgroepen. Meer gemeenschappelijke kenmerken: crisisverschijnselen in volkspartijen, meer individualisering, sauve qui peut en minder groepsbanden. Alsook “nieuw” wantrouwen jegens “grote concepties”, lees bijvoorbeeld: het politiek geïntegreerde Europa. Anders gezegd: het Westen heeft gewonnen maar zit ook in zak en as.

De Duitsers, die nu ruim tien jaar de CDU'er Helmut Kohl als kanselier hebben, zouden zichzelf niet zijn als zij niet het allerhevigst zouden zuchten onder zulke problemen. Het begrip Verdrossenheit, dat in bondspresident Richard von Weizsäcker een bezorgd-geoefende voorzanger kent, is geen dag weg. Ja, het woord zelf is zelfs “woord van het jaar” (1992) geworden. Rechtsradicaal geweld tegen buitenlanders - dat in Duitsland gezien de recente geschiedenis natuurlijk altijd “erger” is - liet de buren schrikken. En de overgrote meerderheid van de Duitsers ook. Die heeft er vorig najaar trouwens met massale Lichterketten zó eensgezind tegen gedemonstreerd dat het thema met een onwerkelijke snelheid alvast goeddeels uit hun media verdween.

In de EG is de Bondsrepubliek politiek, staatkundig, psychologisch en bovenal economisch het meest veranderd sinds het einde van de Europese deling haar eenwording opleverde (of andersom). De uit de DDR ontslagen Ossi's en de zo perfect Europees-geïntegreerde Wessi's staan tegenover elkaar zoals Pruisen en Saksen (heel) vroeger wel tegenover het Rijnland en Beieren stonden. Zij het dat zij, meer dan toen, verenigd zijn aan weerskanten van een pijnlijk hoge welvaartsgrens die niet - zoals eenheidskanselier Kohl in 1990 nog dacht te kunnen beloven - in een paar jaar weg te werken is. Bovendien is een door het eenwordingsproces misschien alleen maar “uitgestelde” economische recessie nu in volle hevigheid uitgebroken, zodat voorshands niet meer de verdeling van méér maar van minder welvaart voor de Westduitsers op de agenda staat.

Kohl, een instinctieve machtspoliticus, sinds 1973 partijvoorzitter en sinds de Duitse eenwording tot internationale faam gekomen, heeft vorige week een draai om de oren gehad van zijn “eigen” Bondsdagfractie. Die wees een compromis af - over verhoging van benzine-accijns en de geplande invoering van een vignet voor Duitse en buitenlandse gebruikers van de Autobahn - dat de coalitietop de dag ervoor onder leiding van Kohl moeizaam had bereikt. De kanselier heeft intussen zijn kroonprins Wolfgang Schäuble, de fractieleider, nagezegd dat zo'n afwijzing door een parlementaire fractie, eigenlijk “heel gewoon” is (Schäuble had erbij gezegd dat zoiets misschien wel vaker zal gebeuren).

Maar "gewoon' is zo'n "nee' voor een kanselier helemaal niet, en zeker niet voor iemand als Kohl, die zijn machtsbasis altijd heel sterk - veel meer dan zijn SPD-voorganger Helmut Schmidt - juist in zijn eigen partij heeft gezocht. "Gewoon' is het blauwtje dat Kohl bij zijn bevriende fractie (319 parlementariërs) liep ook niet omdat de CDU/CSU in opiniepeilingen nog maar even boven dertig procent zit en de paniek - nog maar een jaar voor de volgende Bondsdagverkiezingen - om zich heen begint te grijpen. Veelbetekenend is dat de CDU-top een verlies van goed twee procent in de Hessense deelstaatverkiezingen (een verlies ten opzichte van een slechte score uit 1989) gisteren tamelijk tevreden becommentarieerde. Dat leek erop te wijzen dat een veel grotere ramp was verwacht.

Zo'n ramp trof in Hessen de SPD (minus 8,4 procent), de partij wier voorzitter en kandidaat-kanselier Björn Engholm almaar meer kritiek krijgt. Van de een omdat hij in Bonn teveel compromissen sluit, van de ander omdat hij dat te weinig doet, van een derde omdat hij onvoldoende krachtig leiding geeft en dus teveel ruimte laat voor de rivaliserende SPD-premiers in de Duitse deelstaten.

Terwijl een groeiend aantal kiezers zich afkeert van de politiek (gisteren in Hessen kwam ruim dertig procent niet naar de stembus) of boos verder naar links en rechts uitwijkt (de Groenen en de Republikaner kregen samen twintig procent) lijken de beide grote Duitse volkspartijen op weg naar een positie waarin zij, na de Bondsdagverkiezingen van 1994, tot elkaar veroordeeld zullen raken in een grote coalitie. Niet wegens een wederzijds gevoelde behoefte maar wegens de onmogelijkheid van een andere regeringsmeerderheid. De kleine FDP, nu nog coalitiepartner van de CDU/CSU, is over dit vooruitzicht al tijden nerveus.

Zo'n grote coalitie in Bonn zou koren op de molen van radicalen zijn. Zij zou ook het einde van het kanselierschap van de Europeaan Helmut Kohl betekenen. In de SPD wordt openlijk over een alternatief voor Engholm als lijsttrekker gesproken. Nieuwe vragen voor morgen? Antwoord overmorgen, ook in Bonn.