Jekkers: een getapte jongen met zelfspot

Voorstelling: Met een goudvis naar zee, door Harrie Jekkers. Gezien: 6/3 in Stadsschowburg, Haarlem.

“Vanavond vliegen de Wilde Ganzen naar Harrie Jekkers,” zegt de gelijknamige liedjeszanger bij wijze van terzijde in zijn tweede theatersolo - om aan te geven hoe goed het hem gaat en hoe hij daarvan geniet. Na de popsuccessen met het Klein Orkest, in de jaren tachtig, is zijn cabaretcarrière voortvarend begonnen. Zijn aanhang groeit met de dag en zijn optreden ook. Droeg het gesproken woord in zijn eerste programma nog onmiskenbare tekenen van onwennigheid, nu draait hij voor een conférence zijn hand niet meer om. Sterker nog: de liedjes zijn de rustpunten voor de conférencier geworden.

Met een goudvis naar zee is een luchtig overzicht van de levensfasen die Jekkers heeft doorlopen - van het negenjarige jongetje in de Schilderswijk in Den Haag via de protestsongs zingende twintiger en de dertiger die nog één keer het roer radicaal wenst om te gooien, tot en met de veertiger die hij nu is. Hij splitst zich in die vier ikken en laat elk van hen om beurten aan het woord. De verbindende factor wordt gevormd door de volkse en vindingrijk verwoorde levenswijsheden van zijn onaangepaste oom Jan, de man die altijd zei: “Je moet in het leven dwarsliggen, dan ben je moeilijker te begraven.” En: “Je moet hoog inzetten. Omlaag lazeren kennen we altijd nog”. Want ook oom Jan was Hagenees.

Jekkers ontleent veel van zijn charme aan die volkse vitaliteit, met zijn rijkdom aan vrolijke synoniemen. Hij is de getapte jongen - de handen in de zakken en af en toe hoorbaar de neus ophalend - maar hij heeft meer dan genoeg zelfspot en oorspronkelijkheid om niet te ontaarden in een lawaaiige praatjesmaker. Bovendien zingt hij met zijn hese stem liedjes die meestal teer en verderlicht filosofisch zijn, te beginnen met een nummer over de dood van een man zoals hij zelf nooit wil worden (“En op het einde, op zijn crematie / waaide zijn rook zelfs met alle winden mee”) en aan het slot een innemend klein chanson voor oom Jan. Zelfs aan een al veel bezongen onderwerp als de onherhaalbaarheid van “de eerste keer” wijdt hij nog een verrassend liedje.