Het fortuin van Nantes

"Les Anneaux de la Mémoire'

Château des ducs de Bretagne, Nantes. Toegangsprijs 30 francs, zondags gratis. Dagelijks geopend behalve dinsdag.

De catalogus kost 300 francs.

Meer dan in enige andere Franse havenstad aan de Atlantische kust waren de reders en handelaars van Nantes actief in wat in Frankrijk prudent de "handel in ebbenhout' (slavenhandel) werd genoemd. Tot voor kort wilde men dat in Nantes eigenlijk niet weten. Met de expositie "Les Anneaux de la Mémoire' kijkt de stad “de geschiedenis nu recht in het gezicht”.

De ontbrekende “schakels van de herinnering” zijn het onderwerp van een expositie over de handel in mensen tussen Nantes, Afrika en Amerika in het kasteel van de hertogen van Bretagne in het centrum van deze welvarende stad. De expositie trok sinds de opening op 5 december al bijna 30.000 bezoekers. Ze is dus al een ongekend succes, ook zelfs buiten Nantes en al loopt ze nog tot februari 1994. Dan is het 200 jaar geleden dat de slavenhandel werd afgeschaft door de revolutionaire Conventie, wat overigens niet betekende dat er een eind aan kwam. In de Franse koloniën werd de slavernij pas in 1848 verboden.

Naar schatting de helft van alle Franse expedities in de achttiende en negentiende eeuw tussen de Afrikaanse westkust en de Caraïbische eilanden in de "nieuwe wereld' waren het werk van reders en handelaren uit Nantes. Tussen 1704 en 1837 voerden schepen uit Nantes 1800 "campagnes' uit. Vele honderdduizenden slaven, die aan de Afrikaanse westkust waren "gekocht' voor geweren, textiel en "colliers' (men gebruikt hier niet het Hollandse "kralen') werden in de "nieuwe wereld' verkocht aan planters op de Antillen en wat nu de Dominicaanse republiek is, die overigens vaak ook uit Nantes afkomstig waren.

De statige witte herenhuizen aan de Quai de la Fosse en op het voormalige Ile Feydeau getuigen van de rijkdommen die de "négriers' (handelaars in zwarte slaven) van Nantes met hun handel vergaarden. Maar de "grote families' werden tot voor kort niet gaarne herinnerd aan de oorsprong van hun welvaart. De expositie was aanvankelijk al gepland voor 1985. De toenmalige, overwegend rechtse gemeenteraad weigerde subsidie. Pas nadat een socialist, Jean-Marc Ayrault, in 1988 tot burgemeester was gekozen, kon Nantes het "pad van gelijkheid' openen naar nieuwe betrekkingen met Afrika en Amerika.

De expositie van talrijke voorwerpen, kaarten en toelichtingen geeft een instructief overzicht van de rol van alle betrokkenen in deze mensenhandel, waarin de Portugezen, de Hollanders en de Engelsen de ondernemers van Nantes en die van andere Franse Atlantische havensteden zoals La Rochelle voorgingen. De bijbehorende catalogus geeft echter meer inzicht in de geest van de tijd - van bijvoorbeeld Voltaire, die in 1734 in zijn Traité de Métaphysique vaststelde dat de “blanken superieur zijn aan negers, zoals de negers superieur zijn aan apen, en de apen aan oesters”. Maar Voltaire had dan ook als vooruitziend burger aandelen in de onderneming van Montaudon, een van grootste reders/ mensenhandelaars van Nantes.

Tijdens de oorlogen tussen Napoleon en de Engelsen was Nantes meer dan ooit de “Franse hoofdstad van de négriers”, want voor de consul/ keizer, die met de mooie creoolse Joséphine was gehuwd, woog het geopolitieke belang meer dan het besluit van de Conventie van 1794 de slavernij af te schaffen. Bij de nadering van Engelse oorlogsschepen die inspecties uitvoerden, gooiden de kapiteins van de Franse slavenschepen vaak hun menselijke lading overboord. Nadat aan de infame praktijken ten slotte een eind was gekomen, bleef Nantes volgens Franse historici achter met een “paranoïde schuldgevoel” dat dus tot voor kort voortduurde.

De notabelen die in 1985 nog vreesden dat de reputatie van Nantes negatief beïnvloed zou worden door een al te openhartige expositie van de schakels uit de ketting van de historie van de bourgeoisie, kunnen gerust zijn. Over de reders en handelaars van destijds en hun fortuinen blijft ook de catalogus discreet. Er is maar één hoofdstukje gewijd aan een bekende "négrier', Guillaume Grou, wiens geschilderde portret in het kasteel te zien is. En Grou was slechts “nummer zes of zeven” in de rangorde van de lokale slavenhandelaars. Grou die in 1774 als een goed katholiek stierf en wiens begrafenis werd begeleid door tachtig slaven die fakkels droegen, liet ruim twee miljoen "livres' achter. (Eén livre is gelijk aan één goudfrank van vóór 1914).

Hotel Grou, zijn luxueuze woning in typisch achttiende-eeuwse Nantaise stijl, is nog steeds te zien aan de Place de la Petite-Hollande. Grou kreeg een Hollandse opvoeding, vermeldt de historicus Jean Meyer in de catalogus. Zoals gegoede families in Nantes destijds wel vaker deden, werd de jonge Guillaume - al als vierjarige - naar het buitenland gestuurd. Guillaume werd ondergebracht in een “dorp bij Amsterdam” waar hij goed Nederlands leerde spreken, trad als elfjarige in dienst van “handelaren nabij Amsterdam”, waar hij ook het Spaans en het Engels leerde beheersen. Hij was twintig toen hij, degelijk geschoold, in Nantes terugkeerde en zich op de slavenhandel wierp. Hij maakte in tien jaar zijn fortuin.