Groot-inquisiteur is onderdrukker van dissidenten

In november van 1992 berichtte het Vaticaan dat gehandicapten die niet getrouwd zijn geen seksueel verkeer mogen hebben. "Rome verstaat zijn eigen Populorum progressio niet', luidde het antwoord daarop van Ton de Kok, lid van de Tweede Kamer voor het CDA en voorzitter van de Commissie Gehandicaptenbeleid van die fractie, in een artiekl op de opiniepagina (NRC Handelsblad, 18 december). Hij wees op het onderdrukkend element van het leergezag en citeerde de dissidente theoloog Boff, die schreef dat Rome "wreed en onbarmhartig is, dat het niets vergeet en niets vergeeft'. En naar aanleiding daarvan merkte De Kok op: "Dostojevski's groot-inquisiteur is een stukje wereldliteratuur dat helaas af en toe nog in deze context in herinnering wordt geroepen'.

In "Dezer dagen' van 22 december 1992 reageerde J.L. Heldring daarop prompt met de vraag of De Kok de groot-inquisiteur wel gelezen of begrepen had. Immers, de strekking van Dostojevski's verhaal is dat juist de groot-inquisiteur - die de kerk symboliseert - opkomt voor de zwakken, terwijl de teruggekeerde Christus veel te hoge eisen aan de mensheid stelt. Voor Heldring blijkbaar een geliefd thema want hij herhaalde nog eens wat hij in deze krant van 3 augustus 1985 had geschreven: de navolging van Christus is voor de mens te zwaar en diens boodschap ligt in haar onmenselijkheid.

Dit keer ontwikkelde zich een discussie die hij in zijn rubriek van 12 januari afdeed als een banale interpretatie. Hij kreeg bijval van niemand minder dan prof.dr. K. van het Reve, emeritus hoogleraar Slavische letterkunde die ex cathedra vaststelde dat Heldring gelijk had: "De groot-inquisiteur was barmhartiger dan Jezus'.

Het is de vraag of Heldring met deze steun zo gelukkig kan zijn. De bijdrage van Karel van het Reve was namelijk erg voorspelbaar, want van hem is bekend dat hij een hekel heeft aan Dostojevski. Dat hij de legende van de groot-inquisiteur op zijn colleges nooit heeft behandeld zegt dan ook meer over die afkeer dan over De Kok die hij kapittelt omdat hij "de gebroeders Karamazov' voor een slavist van groot belang acht. Dat mag niet van Karel van het Reve, want Dostojevski kan volgens hem niet schrijven en is de auteur van “veredelde keukenmeidenromans”. Dostojevski's roman "De idioot' heeft Van het Reve zelfs nooit uitgelezen en in zijn Geschiedenis van de Russische literatuur heeft hij de hele Dostojevski overgeslagen.

In "De gebroeders Karamazov' vertelt Ivan aan zijn broer Aljosja de "legende van de groot-inquisiteur'. In de zestiende eeuw worden in Sevilla op last van deze groot-inquisiteur bijna honderd ketters "Ad majorem gloriam Dei' (tot grotere eer van God, de lijfspreuk van de Jezuïetenorde) verbrand. De volgende dag verschijnt Jezus in de menigte. Hij wekt een meisje uit de dood op - "Talitja Kumi - meisje, sta op' - en aldra klinkt het Hosanna in de straten waar hij langs trekt. De kardinaal/groot-inquisiteur laat hem echter oppakken en in de gevangenis opsluiten. Daar bezoekt hij hem en geeft hem in een lang betoog te verstaan dat hij op aarde niet meer welkom is en dat de kerk zijn taak heeft overgenomen. De terugkeer van Jezus op aarde acht de kardinaal niet in het belang van de mensen. De kerk heeft hun de vrijheid ontnomen om zodoende het volk de ondraaglijke last van de eigen verantwoordelijkheid te besparen. Daarom wil de kardinaal Jezus ook verbranden - zoals dat onder groot-inquisiteurs de gewoonte is - “want als er een is die meer dan wie ook de brandstapel verdient, dan bent u het wel”. Jezus is immers degeen die hen weer wil overgeven aan de kwellingen van het geweten.

Gedurende dat hele gesprek heeft Jezus de groot-inquisiteur alleen maar zwijgend in de ogen gekeken en als hij is uitgesproken kust hij hem op de bloedeloze oude lippen. Dan opent de grijsaard de deur en zegt: “Ga weg en kom niet meer terug . . . nooit meer . . . nooit!”

Essentieel in de redenering van de kardinaal is dat de kerk, de paus, de mensen hun vrijheid heeft ontnomen en een absolute macht over hen uitoefent. “U hebt immers alles in de handen van de paus gelegd en doet er nu beter aan ons niet meer te storen”, laat Ivan de kardinaal zeggen en in die zin hebben de jezuïeten zich ook inderdaad herhaaldelijk uitgelaten. In zijn roman "De idioot' noemt Dostojevski de katholieke godsdienst “een onchristelijk geloof waaruit het atheïsme is voortgekomen”, “een geloof dat een door deze godsdienst zelf vervalste en geschonden Christus predikt”.

Dat Dostojevski ons toch steeds weer voor verrassingen plaatst blijkt in "De idioot' waarin hij Aglaja, de verloofde van vorst Mysjkin, ondanks zijn afkeer van die kerk, toch katholiek laat worden en zelfs een jezuïet als biechtvader laat kiezen.

Even paradoxaal is in "De gebroeders Karamazov' Ivan Karamazov die zich als atheïst in de theologie verdiept en zich dus bezighoudt met God en kerk. Het hele verhaal van de groot-inquisiteur is echter in wezen een sofisme. Dostojevski speelt hier als zo vaak met vele tegenstrijdige gedachten hetgeen voor Charles B. Timmer juist een bewijs was dat hij de grootste schrijver van allemaal was. Maar al vindt Dostojevski bij monde van de groot-inquisiteur wonderlijke dwaalwegen en spitse drogredenen, dan betekent dat nog niet dat hij deze gedachten verdedigt. Noch Van het Reve, noch Heldring schijnt te zien dat de groot-inquisiteur met zijn beroep of medelijden met de mensheid het uiterste kwaad vertegenwoordigt. Heldring heeft het zelfs over Dostojevski's "boodschap' dat de leer van Christus te onbarmhartig is. In zijn tweede artikel geeft hij wel toe, dat Dostojevski de atheïst Ivan nooit zijn eigen mening zou hebben laten uitspreken, maar dan zijn er al veel woorden neergeschreven om het gelijk van de groot-inquisiteur te bewijzen.

Het is wel heel curieus dat Heldring en Van het Reve deze figuur die dissidenten onderdrukt en massaal vermoordt, barmhartiger vinden dan de naastenliefde predikende Christus. En De Kok kwalijk nemen dat hij zich van de groot-inquisiteur in eerste instantie de knechting van de mens herinnert.