Een koffer in het hoofd

In De wereld van gisteren bericht de Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig over "het gevoel van voorlopigheid' dat zijn leven tot ver na zijn dertigste beheerste. “Bij alles wat ik ondernam, zei ik tegen mijzelf dat dit toch niet het ware was ... En zoals ik mijn werk alleen nog zag als voorbereiding op het "echte' werk, als visitekaartje dat mijn bestaan in de literatuur nog maar aankondigde, zo moest mijn huis voorlopig nog niet veel meer dan een adres zijn”.

Deze postuum in 1944 gepubliceerde autobiografie behoort tot de hoogtepunten van het genre dat deze boekenweek in het middelpunt staat en onderscheidt zich in alles van de zelfingenomen schrijverslevens, waarvan er zovele te boek zijn gesteld. Zweig werpt een bescheiden blik op zijn verdiensten en probeert juist de provisorische kant van zijn leven te onderzoeken.

Aanvankelijk betreft het een vrije keuze. Zweig heeft geen zin om zich vast te leggen op iets definitiefs en weet dat elk bezit een draadje is waarmee hij zichzelf vastbindt. Hoe meer eigendom men op de levensweg verzamelt, des te zwaarder wordt de tred en dus hoe leger en kleiner de woonruimte, des te sneller kan men weer de deur achter zich dicht trekken. Het gevoel van ik ben er wel, maar toch ook weer niet helemaal, is de manier om de werkelijkheid op afstand te houden. Los te zijn van een omschreven plaats en tijd, dat is de herkenbare vrijheid die hij zoekt.

Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt temidden van groot enthousiasme staat de behoefte van Zweig aan onthechting al minder in het teken van de voorbereiding op het echte leven. Hoe kan hij zich, terwijl veel van zijn vrienden zich vereenzelvigen met de nationale ijver, vrijwaren van de stemming in Oostenrijk? Innere Emigration is een mooi devies in een bezeten wereld, maar niets is moeilijker dan "alleen in je eigen land' leven.

Om zich te ontworstelen aan de druk van zijn tijd, moet ook van plaats worden gewisseld. Het moment is gekomen om de provisorische woning metterdaad te verlaten: “Na een paar weken verhuisde ik, vastbesloten mij te onttrekken aan deze gevaarlijk massapsychose, naar een landelijke plek aan de rand van Wenen, om midden in de oorlog mijn persoonlijke oorlog te beginnen ...”. Wat eerst nog een kwestie van vrije wil is, begint sluipenderwijze een manier van overleven te worden.

De echte omslag ligt in het voorjaar van 1934. Een huiszoeking door de politie maakte een diepe indruk op Zweig, die ook anderszins als jood reden genoeg heeft zich onveilig te voelen. De vernedering van een politie-controle maakt van zijn huis een vreemde, bezoedelde plek. “Dezelfde avond begon ik mijn belangrijkste papieren in te pakken, vastbesloten nu voorgoed in het buitenland te gaan wonen, en dat afscheid betekende meer dan het verlies van huis en land ...”. Zijn intuïtie zegt hem dat deze huisvredebreuk de aankondiging is van veel ingrijpender gebeurtenissen, die maar beter niet gelaten afgewacht kunnen worden.

Het "gevoel van voorlopigheid' krijgt een steeds dreigender lading en de koestering van zijn geboortegrond wordt heviger. Nog is het zijn eigen keuze om te verkassen, maar de cirkel sluit zich meer en meer. De bewegingsruimte van de kosmopolitische schrijver krimpt zienderogen in: “Nog was die gruwelijke ... toestand van vaderlandsloosheid niet begonnen, dat zenuwslopende gevoel dat je met open, ziende ogen in de leegte valt en dat je weet overal waar je denkt vaste voet te hebben gekregen elk moment te kunnen worden uitgestoten.” Opnieuw kiest hij voor een klein huis - omdat elke vorm van bezit binding betekent - en met een schok van herkenning realiseert hij zich dat de tijd bijna dertig jaar is teruggedraaid. De levenslust van zijn beginjaren in Wenen is hij echter kwijt.

Naarmate de weg terug smaller wordt, begint zijn status als emigrant zwaarder op hem te drukken. Het is pijnlijk te lezen hoezeer Zweig deelt in het lot van veel vluchtelingen, namelijk niet te worden gehoord. Zoals wel vaker gebeurt, wordt de boodschapper van het slechte nieuws als het eigenlijke probleem gezien. Ook in het Engeland van midden jaren dertig.

Met de val van Oostenrijk in 1938 raakt Stefan Zweig zijn paspoort kwijt en moet bij de autoriteiten een verblijfsvergunning aanvragen. Na lang wachten op de "smekelingenbank' beseft hij wat het verschil is tussen het recht op een paspoort en de gunst van een vreemdelingenpapier. “Vaak had ik mij in mijn kosmopolitische dromen heimelijk voorgesteld, hoe heerlijk het zou zijn, en hoe passend bij mijn overtuigingen, stateloos te zijn, aan geen enkel land verplicht en daardoor overal zonder onderscheid thuis.” Zweig vertelt geamuseerd over de verbazing die zijn deel is als hij aan jongeren vertelt dat hij vóór 1914 nog naar India en Amerika is gereisd zonder een pas. Aan de invoering van het paspoort is het beschavingsverval pas echt af te lezen.

Emigratie is op zichzelf al een soort "evenwichtsstoornis', maar onder een regime van voortdurende goedgunstigheid van het gastland, wordt het tot een bron van onzekerheid en voortdurend wantrouwen. “Ik ben terughoudender geworden dan eigenlijk bij mijn aard past en heb - ik, de voormalige kosmopoliet - tegenwoordig voortdurend het gevoel dat ik voor elke ademtocht die ik een ander volk ontneem afzonderlijk dankbaar moet zijn.”

Hier dringt zich onweerstaanbaar de analogie met de lotgevallen van Salman Rushdie op. De ervaring om zelf van slachtoffer te worden opgewaardeerd tot probleem en het verschrikkelijke gevoel dankbaar te moeten zijn jegens degenen die je een hand boven het hoofd houden - daarin herkennen we Rushdie's leven sinds het doodvonnis. In het begin kon Rushdie zichzelf nog wijsmaken dat hij in een kortdurende noodsituatie verzeild was geraakt. Maar na vier jaar "alleen in eigen land' is dat niet meer vol te houden. Hij weet nu dat zijn bestaan is verwoest. Het echte leven is niet meer elders.

Die waarheid dringt zich onherroepelijk aan Zweig op wanneer Engeland op 3 september 1939 de oorlog aan Duitsland verklaart. Twee dagen eerder heeft hij nog geprobeerd om in ondertrouw te gaan maar zelfs deze poging strandt op zijn twijfelachtige status. Zweig voelt nu ook in Bath het net van de oorlog zich sluiten. “Ik ging naar mijn kamer en stopte mijn belangrijkste dingen in een kleine koffer. Als bewaarheid werd wat een vriend met een hoge positie mij voorspeld had, dan werden wij Oostenrijkers in Engeland tot de Duitsers gerekend, en konden wij dezelfde vrijheidsbeperkingen verwachten. Misschien mocht ik die avond niet meer in mijn eigen bed slapen.”

Het wordt tijd voor de laatste reis, dit maal van Europa naar Brazilië, waar Stefan Zweig en zijn vrouw Frederike in 1942 zelfmoord zullen plegen. Als het tot hem doordringt dat het dierbare gevoel van voorlopigheid niets tijdelijks meer heeft, dan valt het doek. De wereld van gisteren tekent zo een perverse cirkelgang. De vrije keuze om met een koffer in het hoofd te leven wordt gaandeweg tot een dwang om op elk moment van de dag met een koffer in de hand klaar te staan; de wil om wereldburger te zijn slaat met de jaren om in een verwonderd besef van het belang van eigen grond onder de voeten; het paspoort dat eerst achteloos in huis rondslingert blijkt van levensbelang. Werelds leven begint met een stevig dak boven je hoofd. De wereld van gisteren is van alle tijden.