De opera Reigen van Boesmans ontbeert Schnitzlers wreedheid

Festival Ars Musica/ Reigen van Philippe Boesmans door de Nationale Opera Brussel o.l.v. Sylvain Cambreling. Libretto en regie: Luc Bondy, decors: Erich Wonder, kostuums: Susanne Raschig; m.m.v. Deborah Raymond, Mark Curtis, Elzbieta Ardam, Roberto Sacca, Solveig Kringelborn, Franz-Ferdinand Nentwig, Randi Stene, Ronald Hamilton, Françoise Pollet en Dale Duesing. Gezien: 4/3 De Munt Brussel. Herhalingen: 5, 7, 9, 10, 12 t/m 14/3.

Alleen de Belgische Opera in de Brusselse Muntschouwburg kan zo'n perfecte ensemblevoorstelling realiseren als Philippe Boesmans Reigen, die vrijdagavond zijn luid toegejuichte wereldpremière beleefde. Reigen is een opera in tien dialogen op een libretto van regisseur Luc Bondy naar Arthur Schnitzler's geruchtmakende zedenschets. Een schitterende cast met de sopraan Françoise Pollet als typische Boesmansster, een inspirerende bariton Dale Duesing, sterke jonge stemmen als van de mezzo's Elzbieta Ardam en Randy Stene, een heldere sopraan Solveig Kringelborn - en zo kan men doorgaan.

En wat een onnavolgbaar fantasierijke vormgeving door Luc Bondy: elk van de tien scènes is een genot om naar te kijken, elk lied een adembenemende eenheid van gestileerde beweging, decor en kostuums, licht en kleur als een smetteloze surrealistische choreografie uit de Weense Eeuwwende. Het moet een feest zijn voor André Delvaux, die opera in oktober gaat verfilmen.

Tien keer gaat het in Reigen om een vrijpartij, maar grof gaat het er allerminst toe. De coïtus op een tafeltje in een chambre séparée is zelfs een echt kunstwerk. Niet zelden zingen de mannen met de broek op de enkels, maar Theater-van-de-Lach-effecten zijn er niet bij. Soms ontstaat even hilariteit, echter onmiddellijk gevolgd door aandacht voor het prachtig afgewogen beeld, pure poëzie.

Geen werk is zo met schandalen omgeven als Arthur Schnitzler's Reigen. De tien dialogen ontstonden in de winter 1896-'97 en verschenen in april 1903 te Wenen in een eerste commerciële uitgave, die prompt in Duitsland werd verboden. Reigen was nimmer bestemd voor het theater, want "volkomen ongeschikt om op te voeren' aldus de schrijver. Zijn uitgever F. Fischer deelde die mening. Zelf vroeg Schnitzler zich februari 1897 af, of Liebesreigen, de oorspronkelijke titel, überhaupt voor publikatie geschikt zou zijn.

De film van Max Ophüls uit 1950 - nu ook gepresenteerd in het Brusselse Festival Ars Musica, dat tevens een fraai muzikaal portret van Boesmans biedt - ontkwam niet aan de censuur. Ophüls last een explicateur in, die ons duidelijk moet maken dat het liefdesleven niet meer is dan een zielloos mechanisme. Freud bewonderde Schnitzler, maar hield zich op een afstand, waar hij bescheiden "mijn dubbelgangersschuwheid' memoreerde. De bewondering was wederzijds: “Niet de psycho-analyse is nieuw, Freud is nieuw; zoals niet Amerika nieuw is, maar Columbus. De psycho-analyse heeft altijd al bestaan,” aldus Schnitzler, die wel Freuds systematisering en navolging kritiseerde.

Reigen biedt een klinisch en cynisch verslag van een prostituée die een soldaat verleidt, de soldaat die het kamermeisje bepraat, enzovoorts, enzovoorts, totdat de rondedans zich sluit in een affaire van de graaf met eerstgenoemde prostituée.

Het is een wrede observatie, waarin de geneesheer-schrijver Schnitzler suggereert dat de liefde heel wat gecompliceerder is dan de overdracht van een venerische ziekte. Evenals Ophüls plaatst Bondy tussen zijn spelers niet zelden een derde figuur - weergaloos fraai als een schilderij van Magritte in een van de meest geslaagde scènes: de centrale vijfde - maar zijn zienswijze is verre van klinisch en wreed.

Daar komt bij dat ook Boesmans muziek compassie toont, een muziek die niet diepzinnig Duits geïnterpreteerd wil worden maar - afgezien van een enkel Berg-achtig tussenspel - een lichte toets aanhoudt, Mozartiaans elegant en Rossiniaans baldadig. Zo bleef weinig over van de klinische scherpte - want wat is Reigen anders dan de dodendans van de failliete negentiende eeuw. En ik ben bang dat wat Schnitzler stelde over de ongeschiktheid voor theater ook opgaat voor de opera. Bondy onthield zich van wijzigingen, afgezien van de actrice die hier zangeres is en Maria die nu Mizzi heet om een gratuite overeenkomst met Bergs Wozzeck te vermijden.

Het werkelijke probleem is, dat in deze opera de tegenstelling tussen goed en kwaad ontbreekt: alle twintig protagonisten zijn in wezen even hunkerend en machteloos. Meer scherpte ontstaat, als de ontnuchtering na de liefdesakte toeslaat en Boesmans het zingen vervangt door een droog parlando.

Anders dan Boesmans' eerdere La Passion de Gilles, expressionistisch en overgedramatiseerd, bevat Reigen kamermuziek met veel solistische bijdragen, veel staccati en korte motiefjes. Centraal staat de grote terts, zowel melodisch als harmonisch, overigens ook al in Boesmans Trakl Lieder, schitterend door Pollet op een cd vastgelegd. De korte motiefjes herinneren aan die uit Ravels Habanera-vocalise: wel heel erg mager materiaal. Sterk is echter Boesmans' strijkerslyriek en de gememoreerde vijfde scène, met veel nostalgie en geheel in de sonoriteit van Schönbergs vroege strijkersmuziek, bitterzoet. Daarin ziet men Boesmans onmiskenbaar theatertalent.

Bewondering kan men ook hebben voor Boesmans' flair in zijn omgang met diverse stijlen, zoals de Händel-pastiche bij de scène met de tevreden jongeman, die een affaire heeft met een vrouw van klaarblijkelijk intellectuele allure. Boesmans voorkeur voor barokstijlen blijkt ook uit Extases (1985) voor piano, tuba en klein ensemble uitgevoerd door het Xenakis Ensemble op het openingsconcert van Ars Musica: zeven korte delen die verwijzen naar de Franse suite-traditie in de 18de eeuw, in spontane gestieken, inclusief free jazz. Het festival concentreert zich dit jaar vooral op de wortels van het serialisme, er is veel Webern en Stockhausen, en het laatste concert op 2 april combineert Schönberg, Webern en Boulez.